ECLI:NL:HR:2023:836

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
22/03097
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36a AwbBesluit van 6 maart 2019 Staatsblad 2020, 99
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-digitaal indienen

In deze zaak heeft een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener een beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Volgens het Besluit van 6 maart 2019 is een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht om digitaal te procederen. Het beroepschrift in cassatie had daarom via het webportaal van de Hoge Raad ingediend moeten worden.

De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener per aangetekende brief verzocht het beroepschrift alsnog digitaal in te dienen binnen zes weken. Ondanks ontvangst van deze brief is hieraan geen gevolg gegeven. De Hoge Raad heeft daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:36a, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om de proceskosten aan de indiener op te leggen. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Cools en van der Voort Maarschalk en op 2 juni 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet digitaal indienen van het beroepschrift.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/03097
Datum2 juni 2023
ARREST
op het door [X] te [Z], vertegenwoordigd door J.R.A. Röschlau, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2022, nrs. 19/193 PW en 20/948 PW [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
In deze zaak is bij aangetekende brief beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingesteld. Uit het beroepschrift in cassatie blijkt dat het cassatieberoep is ingesteld door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener.
1.2
Artikel 1 van Pro het Besluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 99 [2] , brengt mee dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen. In deze zaak had het beroepschrift in cassatie dus digitaal, via het webportaal van de Hoge Raad, moeten worden ingediend.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift daarom bij brief van 8 september 2022 verzocht het beroepschrift in cassatie binnen zes weken via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Deze brief is aangetekend verzonden en is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. De indiener van het beroepschrift heeft geen gevolg gegeven aan dat verzoek.
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2023.

Voetnoten

2.Besluit van 6 maart 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures).