ECLI:NL:CRVB:2022:1468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf januari 2017 niet meer op het uitkeringsadres woonde. Dit leidde tot opschorting en uiteindelijk intrekking van de bijstand, gevolgd door terugvordering van het te veel ontvangen bedrag. Appellante diende een aanvraag in voor bijstand met terugwerkende kracht en een individuele inkomenstoeslag, die beide werden afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht aannam dat appellante haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres en dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden. De onderzoeksbevindingen, waaronder waarnemingen, verklaringen van een buurvrouw en gegevens over afvalinzameling, ondersteunden dit standpunt. De rechtbank vond geen reden om het college te veroordelen tot het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht of het toekennen van de toeslag.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraken. De Raad bevestigde dat de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de toeslag terecht waren en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wegens schending van de inlichtingenplicht.