De zaak betreft een geschil tussen Stichting Centra voor Integrale Revalidatie en Arbeidsactivering Nederland (Ciran) en zorgverzekeraars DSW c.s. over de vergoeding van medisch-specialistische revalidatiezorg. Ciran was tot 2013 gecontracteerd bij DSW c.s., maar na het wegvallen van de overeenkomst werden declaraties niet meer vergoed. DSW c.s. voerden aan dat de geleverde zorg niet voldeed aan de eisen van medisch-specialistische revalidatiezorg zoals omschreven in het Algemeen Beroepskader Revalidatiegeneeskunde 2012 (ABK 2012).
De rechtbank wees de vorderingen van Ciran af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof overwoog dat de zorg van Ciran niet voldeed aan randvoorwaarde 9 van het ABK 2012, die vereist dat de revalidatiearts in alle fasen van het revalidatieproces direct face-to-face contact met de patiënt heeft. Het hof baseerde zich op rapporten van het Zorginstituut Nederland en deskundigen die bevestigden dat deze betrokkenheid essentieel is voor medisch-specialistische revalidatiezorg.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat het criterium 'plegen te bieden' in art. 2.4 Besluit zorgverzekering samen met de 'stand van de wetenschap en praktijk' bepalend is voor de inhoud van de verzekerde zorg. De uitleg van het hof over de vereiste betrokkenheid van de revalidatiearts is niet onbegrijpelijk en de structurele afwijking van Ciran van randvoorwaarde 9 rechtvaardigt de conclusie dat de zorg niet als medisch-specialistische revalidatiezorg kan worden aangemerkt.