ECLI:NL:HR:2024:1052

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
10 juli 2024
Zaaknummer
22/00972
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij belaging ex-vriendin ondanks ontbreken klacht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake belaging door de verdachte jegens zijn ex-vriendin, door haar gedurende enkele maanden veelvuldig te bellen en WhatsApp-berichten te sturen. De verdachte stelde onder meer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was in de vervolging omdat een klacht ontbrak. Het hof oordeelde echter dat het OM wel ontvankelijk was, mede omdat hierover in hoger beroep geen klacht was ingediend.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast is geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvindt. Gelet op de opgelegde straf van 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 254 dagen voorwaardelijk, is geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor belaging met een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 254 voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00972
Datum12 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 maart 2022, nummer 21-001286-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Broere, advocaat in Roosendaal, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 254 dagen voorwaardelijk volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 juli 2024.