ECLI:NL:PHR:2024:617
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks klachtvereiste bij belaging
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor belaging, strafbaar gesteld in art. 285b Sr, met een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 254 voorwaardelijk. In cassatie werd aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was wegens het ontbreken van een klacht, zoals vereist in art. 285b lid 2 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht als het niet in hoger beroep is aangevoerd terwijl de verdachte aanwezig was en bijgestaan door een raadsman.
Verder werd betoogd dat het hof ambtshalve had moeten onderzoeken of het OM ontvankelijk was. De Hoge Raad verduidelijkte dat de rechter altijd onderzoek moet doen naar ontvankelijkheid, maar alleen in het arrest hoeft te vermelden als er een ernstig en rechtstreeks vermoeden bestaat dat het OM niet ontvankelijk is. In deze zaak was geen dergelijk vermoeden, mede doordat een later toegevoegd proces-verbaal aangaf dat de benadeelde partij een klacht wilde indienen.
Ten slotte werd geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, aangezien de stukken pas ruim twaalf maanden te laat werden ingediend. De Hoge Raad erkende deze overschrijding, maar zag geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de reeds ondergane straf. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling voor belaging door het hof bleef in stand.