ECLI:NL:HR:2024:1066
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna adresverificatie plaatsvond en de brief alsnog per gewone post werd verzonden.
Ondanks deze inspanningen werd het griffierecht niet voldaan. Een tweede aangetekende brief met het verzoek om opgave van redenen voor het niet betalen van het griffierecht werd eveneens onbestelbaar geretourneerd en daarna per gewone post verzonden. Belanghebbende reageerde niet.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 12 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.