ECLI:NL:HR:2024:1084
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt werkelijke rendement box 3-heffing zonder ongerealiseerde koerswinsten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2017 en 2018, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen werd vastgesteld. De Rechtbank wees het beroep af, stellende dat ook ongerealiseerde koerswinsten tot het werkelijke rendement behoren. Het Hof Den Haag stelde echter dat ongerealiseerde koerswinsten buiten beschouwing moeten blijven en beperkte het belastbare inkomen dienovereenkomstig.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat ook inflatie, beleggingskosten en verliezen in eerdere jaren in aanmerking moesten worden genomen en dat het werkelijke rendement lager was dan het door het Hof vastgestelde bedrag. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat ongerealiseerde koerswinsten niet meetellen, verwijzend naar een eerder arrest van juni 2024.
De Staatssecretaris stelde dat het Hof ten onrechte ongerealiseerde koerswinsten buiten beschouwing liet. De Hoge Raad gaf de Staatssecretaris deels gelijk, vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, omdat het werkelijke rendement hoger is dan het belastbare inkomen zoals verminderd door het Besluit rechtsherstel.
Het verzoek van belanghebbende om rentevergoeding over de onterecht geheven belasting werd afgewezen, omdat de wet daarvoor niet voorziet en het verzoek niet tijdig was ingediend. De Hoge Raad wees ook het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat ongerealiseerde koerswinsten niet meetellen voor het werkelijke rendement in box 3 en wijst het verzoek om rentevergoeding af.