ECLI:NL:HR:2024:756
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Rentevergoeding bij teruggaaf vermogensrendementsheffing wegens schending EVRM en EP
De zaak betreft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2016-2018, met name de vermogensrendementsheffing in box 3.
Belanghebbende stelde dat de heffing in strijd was met artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de heffing gebaseerd was op een fictief rendement hoger dan het werkelijke rendement. De Hoge Raad bevestigde dat deze heffing onrechtmatig is en dat de aanslagen verminderd moeten worden tot nihil belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht heeft op een rentevergoeding over de periode tussen betaling en teruggaaf van de onrechtmatig geheven belasting. Het Hof kende rente toe op grond van het EVRM, ondanks het ontbreken van een nationale regeling hiervoor. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en oordeelde dat een rentevergoeding slechts in uitzonderlijke gevallen verschuldigd is, namelijk wanneer de wettelijke rente hoger is dan de belastingvermindering. In dit geval werd het verzoek afgewezen.
De Hoge Raad benadrukte dat het EVRM passende en voldoende rechtsherstel vereist, maar dat dit niet automatisch betekent dat rentevergoeding moet worden toegekend als de nationale wetgeving dit uitsluit, tenzij sprake is van een disproportionele situatie. De uitspraak bevestigt de nationale uitputtende regeling omtrent rentevergoeding bij belastingvermindering.
Uitkomst: Het verzoek om rentevergoeding bij teruggaaf van onrechtmatig geheven vermogensrendementsheffing wordt afgewezen.