ECLI:NL:HR:2024:1108

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
30 augustus 2024
Zaaknummer
22/04604
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 lid 1 SrArt. 301 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359 lid 3 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling met voorbedachte raad

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, waaronder een verweer tegen de bewezenverklaring en een klacht over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het verweer tegen de bewezenverklaring onvoldoende feitelijke grondslag had en dat het hof de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd, ook zonder het bewijs van de medeverdachte.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een vermindering van de straf tot gevolg had. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde de gevangenisstraf vast op 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04604
Datum3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000408-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 16.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 september 2024.