Conclusie
Ten aanzien van feiten 1 en 2:
Een proces-verbaal van relaas van 9 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. 5 en p. 8.
verbalisant:
Een proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig van 26 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde p. 125-128.
verbalisanten:
Een deskundigenrapport, te weten een NFI-rapport van 22 maart 2019, opgemaakt door een NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek, doorgenummerde p. 138-140, voor zover inhoudend:
Een proces-verbaal van aangifte van 19 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 64 – 68.
[slachtoffer]:
Een proces-verbaal van bevindingen genaamd PV beelden Mc Donalds van 25 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 92-93.
verbalisant:
Een proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 57-58.
verbalisanten:
Een proces-verbaal van aangifte van 18 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 76-79.
[betrokkene 2]:
Een proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 69-70.
verbalisant:
Een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 167-168.
verbalisant:
Een geschrift, te weten een bief van het Zaans Medisch Centrum van 28 februari 2019, doorgenummerde pagina 73.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 januari 2021.
Een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 mei 2021, met nummer 23-003016-19, waarin ten laste van [betrokkene 1] onder meer bewezen is verklaard dat:
Bewijsoverweging
confirmation bias, omdat [betrokkene 2] al vreesde voor een actie van de verdachte. Daar komt bij dat de herkenning niet is gebaseerd op voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken. Met deze herkenning moet dus grote behoedzaamheid worden betracht. Datzelfde geldt voor de verklaringen van de aangever [slachtoffer] en de overige verklaringen van [betrokkene 2] , omdat deze verklaringen inconsistenties bevatten en zij na verloop van tijd nieuwe feiten en gebeurtenissen hebben toegevoegd ten opzichte van hun eerder afgelegde verklaringen.
ten overstaan van de politieeen verklaring hebben afgelegd. Deze 3 getuigen bevestigen –zonder enig relevant voorbehoud- de verklaring van client.
in ieder gevaltussen de tijdstippen van 19:30 en 20:30 bij het etentje aanwezig was.
geensprake is.
nietvreemd. Er was sprake was van een uitzonderlijke situatie die dag: bezoek uit Turkije. [getuige 3] slaat namelijk
nietaan op de datum maar
welop het bezoek uit Turkije.
nergensdat [getuige 1] inhoudelijk met haar gesproken heeft over de zaak.
eerste deelklachtwordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over zijn alibi, te weten dat hij de hele avond van 19:00 uur tot 22:00 uur bij zijn buurvrouw [getuige 2] was, geen steun vindt in de verklaringen van de getuigen of de telecomgegevens, een denaturering is van het verweer van de verdediging, waarin is aangevoerd dat uit de in het dossier opgenomen verklaringen van [getuige 2], haar dochter en de echtgenote van de verdachte volgt dat de verdachte pas tussen 20:00 uur en 20:30 uur de woning van [getuige 2] heeft verlaten, zodat hij in ieder geval niet in staat is geweest de tenlastegelegde gedragingen – die volgens het hof omstreeks 20:00 uur moeten zijn aangevangen – te kunnen verrichten. Met de
tweede deelklachtwordt aangevoerd dat de betreffende verklaringen zijn opgenomen in het dossier, zodat het oordeel van het hof dat het verweer van de verdediging geen steun vindt in de verklaringen van de getuigen of de telecomgegevens onjuist, althans onbegrijpelijk is.
derde deelklachtheeft het hof ten onrechte voor het bewijs van het tenlastegelegde gebruik gemaakt van het tegen de medeverdachte [betrokkene 1] gewezen arrest aangezien een in een andere strafzaak tegen een medeverdachte uitgesproken veroordeling geen redengevende kracht in de voorliggende zaak heeft.