ECLI:NL:HR:2024:1114

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
2 september 2024
Zaaknummer
22/03387
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 425.1 SrArt. 36b lid 1 sub 3 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en teruggave hond na onttrekking aan verkeer zonder vaststelling strafbaar feit

De verdachte werd tenlastegelegd het aanhitsen van zijn hond op meerdere personen op 9 januari 2019. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden sprak de verdachte vrij wegens onvoldoende overtuigend bewijs dat hij het tenlastegelegde had begaan. Desondanks beval het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond, omdat deze mogelijk kon worden gebruikt voor strafbare feiten.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 36b lid 1 sub 3 Sr vereist dat bij onttrekking aan het verkeer een strafbaar feit moet zijn vastgesteld. Omdat de verdachte was vrijgesproken en het hof geen strafbaar feit had vastgesteld, was de onttrekking aan het verkeer onrechtmatig. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de onttrekking beval en gelastte de teruggave van de hond aan de verdachte.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een wettelijke grondslag voor onttrekking aan het verkeer en bevestigt dat vrijspraak betekent dat geen strafbaar feit is vastgesteld, waardoor onttrekking niet kan worden bevolen. De zaak illustreert de zorgvuldige toetsing die de Hoge Raad toepast op beslissingen die eigendomsrechten raken in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van het arrest dat onttrekking aan het verkeer van de hond beval en gelast de teruggave van de hond aan de verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03387
Datum3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2022, nummer 21-001059-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Biemond, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond, tot het gelasten van teruggave van de inbeslaggenomen hond aan de verdachte en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de onttrekking aan het verkeer is bevolen zonder dat is vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 9 januari 2019 te [plaats] , een hond (ras: Duitse herder, naam: [naam] ) heeft aangehitst op [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] .”
2.2.2
De verdachte is hiervan vrijgesproken. Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof stelt vast dat sprake is geweest van een hectische situatie. Maar slechts één van de aanwezige verbalisanten heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd: “Pak ze”. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte - zoals hij zelf ook heeft verklaard - steeds de hond heeft vastgehouden en heeft geprobeerd op te sluiten in de wc en badkamer, al is er wel discussie over de vraag waarom verdachte de deurklink bleef vasthouden.
Het hof is van oordeel dat in deze zaak weliswaar wettig bewijs voorhanden is, maar dat de overtuiging ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanhitsen van zijn hond, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.”
2.2.3
Verder is de onttrekking aan het verkeer bevolen van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven hond van het ras Duitse herder, genaamd [naam] . Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
“Wel zal het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen (en inmiddels overleden) hond bevelen. De hond is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar een feit waarvan verdachte verdacht werd (de mishandeling van zijn stiefdochter) en het feit waarvan hij verdachte werd (het ophitsen van een dier), terwijl de hond kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
2.3
Artikel 36b lid 1, aanhef en onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken:
(...)
3º bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.”
2.4
De verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechter is dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond is bevolen maar de uitspraak van het hof niets inhoudt over de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan artikel 36b lid 1, aanhef en onder 3º, Sr.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de hiervoor genoemde inbeslaggenomen hond;
- gelast de teruggave van de hond aan de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 september 2024.