ECLI:NL:HR:2024:115

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
21/03043
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 WWMArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij bezit vuurwapen

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2021, waarin hij werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een pistool en munitie in een kantoorruimte, in strijd met artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM).

De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf, vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, en tot vermindering van de straf naar een gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten van het cassatiemiddel niet tot vernietiging konden leiden en dat motivering daarvan niet noodzakelijk was.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden met meer dan twee jaar, hetgeen een strafvermindering rechtvaardigt. Daarom vernietigt hij het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat en vermindert de gevangenisstraf tot twee maanden en drie weken. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige rechtsgang en de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie in samenhang met het EVRM.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03043
Datum30 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2021, nummer 20-001520-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 januari 2024.