De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op een doorzoeking van een bedrijfspand waar het wapen en munitie werden aangetroffen. De verdachte was vennoot van de bedrijven die in het pand gevestigd waren en verklaarde bewust te zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen.
Het cassatieberoep richtte zich tegen de bewezenverklaring omtrent de munitie, met name de munitie die in een andere ruimte dan het wapen was aangetroffen. De verdediging voerde aan dat onvoldoende was vastgesteld dat de verdachte feitelijke macht over deze munitie had en dat hij zich bewust was van de aanwezigheid daarvan.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte zich bewust was van het vuurwapen en de daarin aanwezige munitie, maar dat het oordeel omtrent de munitie elders in het pand onvoldoende was gemotiveerd. Dit leidde echter niet tot cassatie, omdat het hof slechts bewezen had verklaard dat de verdachte een aantal patronen voorhanden had gehad, wat voldoende was gedekt door de bewijsconstructie.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en tot verwerping van het beroep voor het overige.