ECLI:NL:HR:2024:1196

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
23/00294
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2010, 2011 en 2012, inclusief beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Dit hof bevestigde de naheffingsaanslagen en de daarbij behorende beschikkingen.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, die dit beroep heeft beoordeeld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging van die uitspraak. Daarbij heeft de Hoge Raad geen inhoudelijke motivering gegeven, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft ook geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/00294
Datum13 september 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 december 2022, nrs. 21/01310 tot en met 21/01312 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/1176, BRE 18/1177 en BRE 18/3001) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2010, 2011 en 2012 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente dan wel belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daarop slaat de Hoge Raad geen acht.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2024.