Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
BOKSBEUGEL
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
6 februari 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van aanslagen met handgranaten op coffeeshops in Delft in 2018 en het voorhanden hebben van diverse wapens. De verdachte werd veroordeeld tot zeven jaar en tien maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer van twee boksbeugels.
Het hof had de boksbeugels aan het verkeer onttrokken op grond van artikel 36c Sr, stellende dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze boksbeugels waren begaan. De Hoge Raad oordeelt echter dat uit het hofarrest en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat dit is vastgesteld. Daarom vernietigt de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking heeft op de onttrekking aan het verkeer van de boksbeugels.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, mede doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de uitspraak pas na meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep wordt gedaan. Dit leidt tot vermindering van de gevangenisstraf tot zeven jaar en vier maanden.
Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad bevestigt daarmee de overige veroordelingen en het merendeel van het strafoplegging, behoudens de genoemde aanpassingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de onttrekking aan het verkeer van de boksbeugels en vermindert de gevangenisstraf tot zeven jaren en vier maanden.