ECLI:NL:PHR:2023:1091

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
22/01358
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering onttrekking boksbeugels en overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van opzettelijk ontploffingen en het bezit van diverse wapens, en kreeg een gevangenisstraf van zeven jaar en tien maanden opgelegd. Tevens werden schadevergoedingen toegewezen en beslissingen genomen over inbeslaggenomen voorwerpen.

In cassatie werd onder meer geklaagd over de onttrekking aan het verkeer van twee boksbeugels. Het hof had deze onttrekking gemotiveerd op basis van artikel 36c lid 3 Sr, stellende dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze boksbeugels waren begaan. De Hoge Raad constateert echter dat uit het arrest en de processtukken niet blijkt dat dit tijdens de terechtzittingen in hoger beroep is vastgesteld. Hierdoor ontbreekt een toereikende motivering voor de onttrekking van deze voorwerpen.

Daarnaast is geklaagd over de overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is geschonden. De Hoge Raad erkent deze overschrijding en acht een vermindering van de straf passend.

De conclusie van de plv. AG strekt tot vernietiging van het arrest van het hof voor wat betreft de onttrekking van de boksbeugels en de duur van de gevangenisstraf, met de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om opnieuw onttrekking te vorderen via een afzonderlijke rechterlijke beschikking. Verder zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de onttrekking van de boksbeugels en de straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01358

Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 5 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens:
1. “medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd”,
2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd”,
3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,
4. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,
5. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II” en
6. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en tien maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen en daarvoor de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft aanvankelijk drie middelen van cassatie voorgesteld. Bij schrijven van 4 oktober 2023 heeft laatstgenoemde te kennen gegeven het eerste middel in te trekken en het tweede en derde middel te handhaven.

Het tweede middel

2.1
Het middel klaagt over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummers 10 en 24 vermelde boksbeugels.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door meermalen
- een pin uit een handgranaat te trekken en
- vervolgens die handgranaat tegen de gevel van een pand gelegen aan de Peperstraat en de Breestraat te gooien of te leggen, terwijl daarvan telkens
- gemeen gevaar voor dat pand en in dat pand aanwezige goederen en/of omliggende panden en/of de inboedel/inrichting van omliggende panden en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich bevonden in omliggende panden en op straat, te duchten was;
2.
hij op of 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander, twee, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk handgranaten, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 12 juni 2018 te Noordwijk, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op 12 juni 2018 te Noordwijk, tezamen en in vereniging met een ander een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een semi automatisch pistool (merk Zastava, model M57, kaliber 7,62 mm) en
en
hij op 12 juni 2018 te Noordwijk een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie II sub 3 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een gewijzigd (ingekort) vuurwapen (merk onbekend, model onbekend, kaliber 16) voorhanden heeft gehad;
5.
hij op 12 juni 2018 te [plaats] , in een woning gelegen [a-straat 1] , een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;
6.
hij op 20 maart 2018 te Den Haag een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Zastava, model 357 Magnum) en munitie van categorie III, te weten vijf kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber .38 Special) en een kogelpatroon (merk Lapua, kaliber .38 Special), voorhanden heeft gehad.”
2.3
Over de onttrekking aan het verkeer heeft het hof het volgende overwogen:
“Beslag
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder de nummers 1 tot en met 7, 9, 10 en 24 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met behulp waarvan de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.”
2.4
Op de door het hof genoemde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen staan, voor zover van belang, de volgende voorwerpen vermeld:
“10. 1.00 STK Wapen BOKSBEUGEL (…)
24. 1.00 STK Boxbeugel”
2.5
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 36b lid 1 Sr:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;
3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan;
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie;
5°. bij een strafbeschikking.”
- art. 36c Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
2.6
Het hof heeft ten aanzien van de hiervoor onder 2.4 weergegeven boksbeugels vastgesteld dat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan met behulp van deze voorwerpen en heeft de beslissing die voorwerpen aan het verkeer te onttrekken daarmee kennelijk gebaseerd op hetgeen is bepaald in art. 36b lid 1, aanhef en onder 1°, Sr in verbinding met art. 36c, aanhef en onder 3°, Sr. Uit het bestreden arrest noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep kan echter worden afgeleid dat bij het onderzoek op die terechtzittingen is gebleken dat de onder 1 tot en met 6 bewezenverklaarde feiten met behulp van die boksbeugels zijn begaan. De beslissing tot onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen is derhalve niet toereikend gemotiveerd. [1]
2.7
Het middel is terecht voorgesteld. Naar mijn mening kan worden volstaan met de vernietiging van de onttrekking aan het verkeer van de beide boksbeugels. Vervolgens zou het openbaar ministerie kunnen vorderen dat bij afzonderlijke rechterlijke beschikking (art. 36b onder 4° Sr) nogmaals over onttrekking aan het verkeer wordt beslist. [2] Daarbij kan ook de door de steller van het middel opgeworpen mogelijkheid van onttrekking op grond van art. 36d Sr worden betrokken.

Het derde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Namens de verdachte is op 13 april 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van zes maanden met ruim zes maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, is niet meer mogelijk. Deze termijnoverschrijding dient derhalve te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

Afronding

4.1
Het tweede en derde middel slagen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen die onder nummers 10 en 24 zijn vermeld op de aan die uitspraak gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 december 1987, ECLI:NL:1978:AC6437.
2.Vgl. AG Knigge in ECLI:NL:PHR:2019:815, randnummer 5.6.