Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 oktober 2024.
Hoge Raad
De betrokkene is in hoger beroep veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de productie en handel in valse bankbiljetten. Tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
Echter heeft betrokkene geen cassatiemiddelen ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn, waardoor de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad toetst of aan de vereisten voor ontvankelijkheid is voldaan en constateert dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd.
Op grond van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 8 oktober 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.