ECLI:NL:HR:2024:1262

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
23/01486
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel

De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2023, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het voordeel betrof opbrengsten uit de verkoop van cocaïne waarbij meerdere daders betrokken waren.

Betrokkene voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte het voordeel aan hem had toegerekend, ondanks zijn vrijspraak voor deelneming aan een criminele organisatie, en dat het hof was afgeweken van het in hoger beroep ingenomen standpunt dat geen rekening gehouden moest worden met het door hem concreet behaalde voordeel. Tevens werd betwist of het hof het voordeel voldoende op wettige bewijsmiddelen had gebaseerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de rol van betrokkene zodanig geringer was dan die van anderen dat hij een beperkter deel van het voordeel zou hebben ontvangen. Verder is het hof niet onjuist geweest in het baseren van de voordeelberekening op het arrest van het hof in de strafzaak. De Hoge Raad ziet geen reden tot vernietiging en verwerpt het beroep zonder nadere motivering, conform art. 81 lid 1 Wet Pro RO.

De uitspraak bevestigt dat het hof bevoegd is om in ontnemingszaken het voordeel toe te rekenen op basis van de bewezenverklaring in de strafzaak en dat afwijking van een in hoger beroep ingenomen standpunt niet zonder meer leidt tot vernietiging.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01486 P
Datum5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2023, nummer 23-004499-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.E. Brink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2024.