Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2023, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het voordeel betrof opbrengsten uit de verkoop van cocaïne waarbij meerdere daders betrokken waren.
Betrokkene voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte het voordeel aan hem had toegerekend, ondanks zijn vrijspraak voor deelneming aan een criminele organisatie, en dat het hof was afgeweken van het in hoger beroep ingenomen standpunt dat geen rekening gehouden moest worden met het door hem concreet behaalde voordeel. Tevens werd betwist of het hof het voordeel voldoende op wettige bewijsmiddelen had gebaseerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de rol van betrokkene zodanig geringer was dan die van anderen dat hij een beperkter deel van het voordeel zou hebben ontvangen. Verder is het hof niet onjuist geweest in het baseren van de voordeelberekening op het arrest van het hof in de strafzaak. De Hoge Raad ziet geen reden tot vernietiging en verwerpt het beroep zonder nadere motivering, conform art. 81 lid 1 Wet Pro RO.
De uitspraak bevestigt dat het hof bevoegd is om in ontnemingszaken het voordeel toe te rekenen op basis van de bewezenverklaring in de strafzaak en dat afwijking van een in hoger beroep ingenomen standpunt niet zonder meer leidt tot vernietiging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.