Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Overuren (…)
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
20 september 2024.
Hoge Raad
De werknemer was van 2011 tot juni 2018 in dienst bij de werkgever en vorderde betaling van niet-uitbetaalde overuren, met name werkzaamheden na sluitingstijd. De arbeidsovereenkomst viel onder de cao Koninklijke Horeca Nederland, waarin overwerk in principe in vrije tijd wordt gecompenseerd, en pas bij onmogelijkheid wordt uitbetaald.
De kantonrechter en het hof wezen de vordering af, waarbij het hof het beroep van de werkgever op de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro als doorslaggevend beschouwde. Het hof oordeelde dat de werknemer niet tijdig had geklaagd over het niet uitbetalen van overuren, ondanks dat hij maandelijks loonstroken ontving waarop overuren waren vermeld.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 6:89 BW Pro ook van toepassing is op loonvorderingen, maar stelt dat het hof onvoldoende heeft meegewogen dat de werknemer en collega's herhaaldelijk hadden geklaagd, dat intimidatie en het ontbreken van een diensttijdenregistratie door de werkgever meespelen, en dat de klachtplicht daarom terughoudend moet worden toegepast. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof Den Haag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling vanwege onvoldoende motivering omtrent de klachtplicht.