Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
24 september 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, het onttrekken van goederen aan de boedel bij faillissement en schuldwitwassen. De veroordeling betrof een gevangenisstraf van achttien maanden.
De aanvrager stelde dat een later arrest van de civiele kamer van hetzelfde hof, waarin een aanzienlijk lager benadelingsbedrag werd vastgesteld, zou moeten leiden tot een lagere straf of vrijspraak in de strafzaak. De Hoge Raad oordeelde echter dat onder een minder zware strafbepaling in artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro uitsluitend een strafbepaling met een lagere strafdreiging wordt verstaan, en niet het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten daarvan.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond is en wees het verzoek af. Hiermee blijft de eerdere strafoplegging van achttien maanden gevangenisstraf in stand.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 24 september 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de gevangenisstraf van achttien maanden.