ECLI:NL:HR:2024:1295

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
25 september 2024
Zaaknummer
22/01365
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3C OpiumwetArt. 359 lid 3 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf voor coffeeshophouder met overtreding Opiumwet

De Hoge Raad heeft op 24 september 2024 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2022. De verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een hoeveelheid softdrugs die de gedoogde limiet van 500 gram aanzienlijk overschreed, namelijk 39 kilo softdrugs en ruim 19 kilo met shag verwerkte softdrugs, meermalen gepleegd in strijd met artikel 3C van de Opiumwet.

De verdediging voerde in hoger beroep onder meer verweer over de hoeveelheid drugs die de verdachte in bezit had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had voldaan aan de bewijsopgave zoals bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv Pro en dat de klachten hierover niet tot vernietiging konden leiden. Ook de strafmotivering, waaronder de overweging dat de verdachte bij een eventuele toekomstige vergunning opnieuw op dezelfde wijze zou handelen, werd door de Hoge Raad niet onrechtmatig bevonden.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden (waarvan drie voorwaardelijk) naar acht maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd naar acht maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01365
Datum24 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2022, nummer 20-002066-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 september 2024.