ECLI:NL:HR:2024:1336
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 18 juli 2024 via het digitale dossier en per e-mail in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen zes weken te herstellen. Deze termijn eindigde op 29 augustus 2024, maar belanghebbende heeft het verzuim niet hersteld.
Daarom heeft de Hoge Raad op 27 september 2024 het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 Awb Pro. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden binnen de gestelde termijn.