ECLI:NL:HR:2024:1368

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
23/02680
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 129d lid 1 WerkloosheidswetArt. 2 WerkloosheidswetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 4 WerkloosheidswetArt. 5 Werkloosheidswet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake uitkeringsduur Werkloosheidswet

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet. Het cassatieberoep richt zich op de uitkeringsduur zoals geregeld in de artikelen 42 en volgende van de Werkloosheidswet.

De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 129d, lid 1, van de Werkloosheidswet cassatie alleen mogelijk is bij schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2 tot en met 12 en 14, lid 1, van die wet en de daarop berustende bepalingen. Omdat het beroep in cassatie ziet op bepalingen buiten deze artikelen, kan het beroep niet slagen.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in stand.

Het arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter en raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2024.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/02680
Datum4 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 mei 2023, nrs. 21/4365 WW en 21/4366 WW [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nrs. AWB 20/1950 en AWB 21/1444) betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

Op grond van artikel 129d, lid 1, van de Werkloosheidswet kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2 tot en met 12 en 14, lid 1, van die wet en de daarop berustende bepalingen.
Het onderhavige cassatieberoep betreft de in de artikelen 42 en volgende van de Werkloosheidswet geregelde uitkeringsduur en is daarom niet ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van voormelde bepalingen. De klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2024.