ECLI:NL:HR:2024:1375
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan machtiging
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2024. Het beroep in cassatie was ingediend namens een partij, maar de Hoge Raad stelde vast dat de indiener geen bewijsstuk had overgelegd waaruit bleek dat hij gemachtigd was om het beroep in cassatie in te dienen.
De griffier van de Hoge Raad had de indiener verzocht binnen zes weken een machtiging of een verklaring van instemming te overleggen. Hoewel het verzoek per aangetekende brief was verzonden en afgehaald, werd geen reactie ontvangen. Hierdoor concludeerde de Hoge Raad dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie in te stellen.
Op grond hiervan verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om de proceskosten aan de indiener op te leggen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 4 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.