ECLI:NL:HR:2024:1403

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
22/02072
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 5 WVW 1994Art. 6 WVW 1994Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in verkeerszaak

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het veroorzaken van lichamelijk letsel door schuld in het verkeer door met zijn auto langere tijd op de verkeerde weghelft te rijden en frontaal in botsing te komen met een tegemoetkomende auto. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primaire ten laste gelegde artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, maar veroordeelde hem voor subsidiaire schuld volgens artikel 5 WVW Pro 1994.

Het gerechtshof Den Haag bevestigde deze veroordeling, waarbij het oordeelde dat de verdachte langere tijd onoplettend was geweest. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over schuld en letsel, maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het hofarrest.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest over de hoogte van de geldboete en de vervangende hechtenis, met vermindering van de geldboete van € 1.000 naar € 900 en de hechtenis van 20 naar 18 dagen.

De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel over schuld en letsel, maar corrigeerde de strafoplegging vanwege procesrechtelijke termijnen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de geldboete en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het beroep verder wordt verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02072
Datum15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 mei 2022, nummer 22-001121-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde geldboete betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 900, subsidiair 18 dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 oktober 2024.