ECLI:NL:HR:2024:1424
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Inschrijving kavelruilovereenkomst vereist voor vrijstelling overdrachtsbelasting
Belanghebbende sloot in 2016 een koopovereenkomst voor een agrarisch bedrijf met onroerende zaken, waarbij levering mogelijk in een vrijwillige kavelruil zou worden opgenomen. In 2017 werd een kavelruilovereenkomst gesloten, maar deze werd niet ingeschreven in de openbare registers. Belanghebbende deed een nihilaangifte overdrachtsbelasting en beriep zich op de kavelruilvrijstelling.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat volgens hem de vrijstelling niet van toepassing was zonder inschrijving van de kavelruilovereenkomst in de openbare registers, zoals vereist in artikel 85 lid 1 Wet Pro inrichting landelijk gebied. Het Hof bevestigde dit standpunt en wees het beroep van belanghebbende af.
In cassatie stelde belanghebbende dat inschrijving niet noodzakelijk is voor de goederenrechtelijke bescherming en dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de wet en wetsgeschiedenis duidelijk maken dat inschrijving een vereiste is voor de vrijstelling. Ook het feit dat de kavelruilovereenkomst gevolgd werd door een notariële akte doet hieraan niet af.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde dat de inschrijving in de openbare registers een voorwaarde is voor toepassing van de kavelruilvrijstelling in de overdrachtsbelasting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat inschrijving van de kavelruilovereenkomst in de openbare registers vereist is voor de vrijstelling overdrachtsbelasting.