Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
15 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor witwassen van een geldbedrag van €127.670. De verdachte voerde onder meer een bewijsklacht aan over de herkomst van het geld en stelde dat het geld toebehoorde aan familie en werd vervoerd voor een vriend. Tevens was er discussie over het recht op het laatste woord.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, die volgens hem verminderd moest worden. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zeven maanden. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf, verminderde deze tot zes maanden en drie weken, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot zes maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.