Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
Aan de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank het hiernavolgende ten grondslag gelegd.
De hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 weergegeven oordelen van de Rechtbank geven dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel IV slaagt.
In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, kan een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de Rechtbank. [3] Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 beroep ingesteld. Van de overschrijding van de redelijke termijn is, afgerond, 11 maanden toe te rekenen aan de procedure bij de Rechtbank. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) moet daarom € 1.000 aan belanghebbende betalen.