De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van invoer en vervoer van cocaïne, medeplegen van vuurwapenbezit en medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep in Curaçao.
De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van twee feiten. In hoger beroep werd een gevangenisstraf van tien jaren opgelegd. De verdachte voerde verweren aan tegen de rechtmatigheid van de bewijsvoering, waaronder verkeers- en locatiegegevens, en tegen de strafoplegging vanwege detentieomstandigheden en gezondheid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM terecht heeft verworpen, dat de Europese privacyrichtlijn niet van toepassing is in Curaçao, en dat het hof de bewezenverklaring van de feiten voldoende heeft gemotiveerd.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn van het proces is overschreden en vermindert daarom de opgelegde gevangenisstraf van tien jaren naar negen jaren en tien maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen, waarmee de overige aspecten van het vonnis standhouden.