Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
19 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van meermalen gepleegde ontuchtige handelingen met zijn 9-jarige en 12-jarige stiefdochter, zoals omschreven in de toen geldende artikelen 247 en 248.2 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam schuldig bevonden. Het hof baseerde zich op de specifieke en consistente verklaringen van het kind en het ondersteunende bewijs, waaronder verklaringen van familieleden.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Hij voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar waren en dat het hof ten onrechte onvoldoende rekening had gehouden met ontlastende verklaringen van de moeder en broer van de verdachte. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdediging onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad vond dat het hof terecht had geoordeeld dat de verklaringen van het slachtoffer specifiek en geloofwaardig waren en dat het ondersteunende bewijs voldoende was. Ook het niet expliciet reageren op enkele ontlastende verklaringen was niet onrechtmatig. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.