Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een 22-jarige vrouw die bij de verdachte en zijn gezin woonde en zwanger van hem was. Zij werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor doodslag (art. 287 Sr Pro) en het wegmaken van een lijk (art. 151 Sr Pro) nadat zij het slachtoffer meerdere keren met een mes had gestoken en het lichaam vervolgens bijna vier en een half jaar had verborgen gehouden.
In cassatie richtte de verdediging zich onder meer op de bewijsklacht omtrent het oogmerk om het overlijden te verhullen en op de strafmotivering, met name of de bekentenis van de verdachte een matigende werking op de straf had moeten hebben. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Het hof mocht onder meer overwegen dat de bekentenis geen strafvermindering rechtvaardigde. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte op 22 oktober 2024 verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 september 2023 in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf van 15 jaar voor doodslag en wegmaken van lijk blijft in stand.