Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
25 oktober 2024.
Hoge Raad
In deze zaak draait het om een aanneemovereenkomst tussen [verzoekster] B.V. en Caribbean Project Developers B.V. (CPD) voor de realisatie van de ruwbouw van een project op Bonaire. De overeengekomen opleverdatum van de ruwbouw werd niet gehaald, waarna een tweede overeenkomst werd gesloten met een nieuwe opleverdatum van 14 augustus 2018, met een boeteclausule voor te late oplevering.
[verzoekster] stelde dat CPD in verzuim was wegens overschrijding van deze fatale termijn en sommeerde CPD tot oplevering, waarna zij gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst uitsprak. CPD heeft daarna geen werkzaamheden meer verricht. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen van [verzoekster] af, waarbij het hof oordeelde dat geen sprake was van verzuim omdat de tweede overeenkomst hierover zou zwijgen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en dat op grond van art. 6:83 BW Pro BES verzuim zonder ingebrekestelling intreedt bij het verstrijken van een fatale termijn, tenzij anders blijkt. Gezien de duidelijke tekst van de tweede overeenkomst en het beroep daarop door [verzoekster], had het hof niet zonder nadere motivering kunnen concluderen dat CPD niet in verzuim was.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing. Het incidentele cassatieberoep van CPD wordt verworpen. CPD wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling wegens onvoldoende motivering over het verzuim van CPD.