Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in principaal beroep
onder ais de overweging van het Gemeenschappelijk Hof onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van artikelen 2 en 5 van de tweede overeenkomst. Voor het gemak van de lezer citeer ik die bepalingen opnieuw:
no later thanAugust 14th 2018.’
Only by “act of God”a delay maybe considered
after deliberation and approval of both parties.’
as the last date to deliver the project’.
For every day that the contractor fails to deliver the project after August 14th, the contractor must pay a fine…’
nietheeft geoordeeld dat de tweede overeenkomst geen fatale termijn bevat. [13] In plaats daarvan zou het Gemeenschappelijk Hof in rechtsoverweging 2.6.6 in de eerste plaats hebben geoordeeld over een eventueel op grond van de eerste overeenkomst ingetreden verzuim, waarvan het hof oordeelt dat met de tweede overeenkomst een zodanig verzuim is afgedaan. En in de tweede plaats zou het Gemeenschappelijk Hof impliciet hebben geoordeeld dat ‘van een fatale termijn geen sprake (meer) was’.
Haviltex-maatstaf meebrengt dat de termijn van 14 augustus 2018 geen fatale termijn is, óf dat de (in beginsel) fatale termijn nadien haar fatale karakter heeft verloren, bijvoorbeeld doordat de schuldeiser heeft ingestemd met overschrijding van de termijn.
nooitaanleiding heeft om te begrijpen en verwachten dat een aanvankelijk geldende termijn door nadien zich voordoende feiten en omstandigheden achterhaald is geraakt. Het opdragen van omvangrijk meerwerk bijvoorbeeld kan wel degelijk dat gevolg hebben. Door het hof is echter niets in die zin vastgesteld.
de in de ingebrekestelling van 2 januari 2019 vermelde termijn.Het lijkt er aldus op dat in rechtsoverweging 2.7.1 laatstbedoelde termijn is bedoeld en niet de in de tweede overeenkomst vermelde opleveringstermijn van 14 augustus 2018.
onder b.Volgens die klacht is het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof ontoereikend gemotiveerd omdat het hof niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van [eiseres] dat de tweede overeenkomst de opleveringstermijn van 14 augustus 2018 bevat, zijnde een in beginsel fatale termijn in de zin van art. 6:83 aanhef Pro en onder a BW BES.
subonderdeel 1.2geen bespreking.
onderdelen 3 en 4.
onderdeel 5slaagt in het verlengde van de onderdelen 1 en 2. Het Gemeenschappelijk Hof zal na terugverwijzing opnieuw moeten beoordelen of het verzuim niet reeds is ingetreden vanwege het verstrijken van de in de tweede overeenkomst opgenomen opleveringstermijn. Zou die vraag alsnog in bevestigende zin worden beantwoord, dan heeft dat uiteraard gevolgen voor de toewijsbaarheid van de vorderingen in reconventie onder II en III.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in incidenteel beroep
subonderdeel 1.3 (eerste alinea), dat een motiveringsklacht richt tegen (onder andere) het oordeel dat de weigering om de onderaannemer toe te laten tot de bouwplaats niet kan worden aangemerkt als een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst.
niet aan het project gelieerdewerkzaamheden voor zijn huis/bedrijf. [21] Mijns inziens is duidelijk dat reeds dit laatste, dat de ladder niet werd opgehaald voor aan het project gelieerde werkzaamheden, voor de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof pleit.
‘De gemachtigde van [eiseres] heeft terecht betoogd’, ligt een verwerping besloten van de stellingen van CPD. Het staat de rechter vrij stellingen in groepsverband te verwerpen; hij hoeft niet hoeft in te gaan op alle door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen. [22] Die verwerping is, in het licht van de stellingen van partijen – in het bijzonder dat tussen partijen niet in geschil was dat de ladder niet werd opgehaald voor aan het project gelieerde werkzaamheden (hiervoor 4.6) – en met inachtneming van het uitgangspunt dat een stilzwijgende opzegging niet spoedig moet worden aangenomen, niet onjuist of onbegrijpelijk. De klachten falen.
subonderdeel 1.2en
subonderdeel 1.3 (eerste alinea)richt de steller van het middel op vrijwel dezelfde wijze als hiervoor ook rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat het weigeren om een persoon tot de bouwplaats toe te laten evenmin kan worden aangemerkt als een handeling waardoor [eiseres] in schuldeisersverzuim is geraakt. Deze klachten falen evenzeer. Partijen zijn het er immers over eens dat de bedoelde persoon tijdens de bouwvakantie, waarbij veronderstellenderwijs ervan mag worden uitgegaan dat toen niet werd gewerkt, [23] een ladder kwam lenen voor werkzaamheden die nota bene losstonden van de nakoming van de verbintenis van CPD. Dat het om niet aan het project gelieerde werkzaamheden ging, volgt ook zonneklaar uit de brief van 9 januari 2019 van CPD zelf waarin zij schrijft dat
‘an associated sub contractor of CPD needed an aluminum ladder to do a job for his company and has asked us if he could borrow one’. Een en ander kan daarnaast ook worden afgeleid uit de verklaring van de betreffende persoon, waarin hij verklaart dat:
‘Op 8 januari 2019 ging ik persoonlijk een aluminiumladder ophalen bij CPD voor een klus bij mij thuis’. [24] Wat is nog nodig om hierover te zeggen? Het dunkt mij dat het vanzelf spreekt dat het verhinderen dat een ladder gebruikt wordt voor ándere werkzaamheden dan het project geen schuldeisersverzuim kan opleveren. Schuldeisersverzuim is immers het geval dat nakoming van de verbintenis (hier dus
het project) wordt verhinderd (art. 6:58 BW Pro BES).
subonderdeel 1.3 (derde alinea)wordt geklaagd dat het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof te meer onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof bij zijn oordeel dat geen sprake is van beëindiging van de overeenkomst en evenmin van schuldeisersverzuim, niet (kenbaar) mede in aanmerking heeft genomen dat [eiseres] de sloten heeft (laten) vervangen (van de containers met gereedschappen van CPD) en de bouwplaats heeft afgegrendeld. Ook deze klachten slagen niet, omdat mijns inziens niet sprake is van essentiële stellingen. Het enkel vervangen van sloten en het afgrendelen van de bouwplaats tijdens een oplopend conflict, pleit niet voor een uitleg van de houding van [eiseres] volgens welke zij de overeenkomst beëindigde (in plaats van zich op de gevolgen van tekortkoming te beroepen, zoals zij vanaf 11 januari 2019 ondubbelzinnig heeft gedaan). En schuldeisersverzuim is het geval waarin nakoming van de verbintenis wordt verhinderd doordat van de zijde van de schuldeiser een beletsel opkomt (art. 6:58 BW Pro BES). Zoals besloten ligt in het woordje ‘doordat’, veronderstelt schuldeisersverzuim dat het bedoelde beletsel aan de zijde van de schuldeiser
uitsluitendde oorzaak van de niet-nakoming is. [25] De enkele vervanging van sloten en het afgrendelen van de bouwplaats is dus nog onvoldoende om schuldeisersverzuim op te leveren. Zonder dat CPD van plan was om ter plekke te werken (het was bouwvakantie!), had ze van het handelen van [eiseres] geen last.
onderdelen 3 en 4bouwen voort op de voorgaande onderdelen en delen in hun lot.