Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van cocaïne en heroïne.
De betrokkene verzocht onder meer om toepassing van de matigingsbevoegdheid op grond van art. 36e lid 5 Sr vanwege waardevermindering van een personenauto als gevolg van conservatoir beslag en het feit dat de auto niet is verbeurdverklaard in de strafzaak. Het hof wees dit verzoek af.
De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 RO Pro.
Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering blijft gehandhaafd zonder toepassing van matiging.