ECLI:NL:HR:2024:1585

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2024
Publicatiedatum
6 november 2024
Zaaknummer
22/02574
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep ongegrond in geschil over omzetbelasting en redelijke termijn

Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het door hem op aangifte betaalde bedrag aan omzetbelasting over juni 2015. De Staatssecretaris van Financiën was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende tegen het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de hofuitspraak.

Belanghebbende verzocht tevens om een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde dat de termijn met maximaal zes maanden was overschreden, maar wees de vergoeding af vanwege het geringe financiële belang van minder dan €1.000. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.

Deze uitspraak bevestigt de rechtspraak over de toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en benadrukt het belang van het financiële belang bij het toekennen van schadevergoeding voor termijnoverschrijding.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding wegens termijnoverschrijding af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02574
Datum8 november 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 31 mei 2022, nr. 19/01393 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/718) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2015.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.W. Beuker, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft op 14 oktober 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 11 juli 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase op met niet meer dan zes maanden.
De Hoge Raad ziet echter geen aanleiding om aan deze overschrijding het door belanghebbende verzochte gevolg te verbinden, omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt. Naar aanleiding van het verzoek wordt vanwege deze bijzondere omstandigheid volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [2]

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2024.

Voetnoten

2.Zie HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverwegingen 3.2.2 en 3.4.3.