Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 februari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de rechtbank Limburg een zorgmachtiging verleend aan betrokkene voor opname in een forensische zorginstelling, waarbij zowel bepalingen uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) als uit de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) van toepassing zijn verklaard. Betrokkene klaagde bij de klachtencommissie over maatregelen zoals insluiting en kamercontroles, die volgens hem niet door de zorgmachtiging werden gedekt. De klachtencommissie en vervolgens de rechtbank verklaarden deze klachten ongegrond.
Betrokkene stelde in cassatie dat de bepalingen van de Wvggz, waaronder artikel 8:9 Wvggz Pro, voorrang zouden moeten hebben boven de Bvt. De Hoge Raad heeft dit betoog verworpen en bevestigd dat beide wettelijke stelsels naast elkaar gelden zonder voorrang van het een boven het ander. Dit betekent dat beslissingen ook kunnen worden genomen op basis van de bepalingen uit de Bvt en de Wet forensische zorg (Wfz).
De Hoge Raad benadrukt dat bij opname in een forensisch psychiatrisch centrum op grond van een zorgmachtiging de rechtspositie van betrokkene op grond van de Wvggz behouden blijft, maar dat ook bepalingen uit de Bvt en Wfz van toepassing zijn. De klachten van betrokkene over de genomen maatregelen zijn daarom terecht door de lagere instanties afgewezen. Het cassatieberoep is verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Wvggz en Bvt gelijktijdig van toepassing zijn zonder voorrang van een van beide stelsels.