Conclusie
1.Inleiding
Bvt) van toepassing zijn. Tijdens de opname is betrokkene één tot twee keer overdag afgezonderd (ingesloten). Verder heeft er één keer een controle van zijn kamer plaatsgevonden. Tot slot is bepaald dat er tijdens het bezoek dat betrokkene ontvangt, toezicht zal zijn. Over deze drie maatregelen heeft betrokkene geklaagd. Zijn vrijheidsbeneming als zodanig en de plaatsing in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden is niet in het geding.
2.Feiten en procesverloop
de rechtbank) ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna:
betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van zes maanden, voor de volgende vormen van verplichte zorg:
Wfz), waarbij voor de duur van de opname in zo een instelling de artikelen 7, eerste en derde lid, 42, vijfde lid, en 44, alsmede de hoofdstukken V, VI en VII van de Bvt van toepassing zijn. [1]
de zorgaanbieder), een private instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden in de zin van art. 3.3 lid 1 Wfz.
‘insluiten’heeft de klachtencommissie het aannemelijk geacht dat de handhaving van de orde of van de veiligheid in de instelling op grond van de in de Bvt gestelde regels als te beschermen belang hebben gediend. Door een personeelstekort was niet voorzienbaar of een onveilige situatie op de afdeling zou kunnen ontstaan. Verzoeker heeft dit niet weersproken. Gelet hierop heeft de klachtencommissie geoordeeld dat artikel 8:9 Wvggz Pro niet van toepassing is. De instelling was derhalve niet gehouden de maatregel in kwestie schriftelijk aan verzoeker mede te delen.
‘toezicht tijdens bezoek’verweerder gevolgd dat deze maatregel bedoeld is ter voorkoming van strafbare feiten en het beschermen van slachtoffers. Verweerder heeft in verband hiermee aangevoerd dat het behandelteam nog weinig zicht heeft op klager en de risico’s die bezoek met zich meebrengen en dat, mede gelet op het delictverleden van verzoeker, gekozen is voor het houden van toezicht tijdens bezoek. De klachtencommissie heeft dit standpunt aannemelijk geacht en verzoeker heeft niet weersproken dat hij van te voren mondeling op de hoogte is gesteld over dit toezicht.
kamercontrole’heeft de klachtencommissie geoordeeld dat op grond van de Bvt kamercontroles mogen worden uitgevoerd in het kader van het algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de persoonlijke verblijfsruimten van verpleegden. De klachtencommissie heeft daarbij gesteld dat niet is gebleken dat verzoeker niet op de hoogte was van de controle.”
2. Verzoek
4.Standpunten ter zitting
4.Standpunten ter zitting
Juridisch kader art. 6:4, leden 3-5, Wvggz; opneming in een instelling als bedoeld in art. 3.1 lid 1, of art. 3.3 lid 1 Wfz; interne rechtspositie
wordt opgenomen in een instelling als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of artikel 3.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg, indien hij dit noodzakelijk acht vanwege de veiligheid binnen de accommodatie.
De rechter kan een zorgmachtiging als bedoeld in de leden 3 en 4 evenwel slechts verlenen indien hij in die zorgmachtiging, voor de duur van de opname in een instelling als bedoeld in
artikel 3.1, eerste lid, of artikel 3.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg, artikel 3.4 van de Wet forensische zorg,artikel 42, vijfde lid en artikel 44, alsmede
de hoofdstukken V, VI en VII van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van toepassing verklaart.”
Deze groep patiënten heeft de rechtspositie van de Wvggz en daarmee is geborgd dat ook deze groep toegang heeft tot bijvoorbeeld de bijstand van de patiëntenvertrouwenspersoon en de klachtencommissie van de Wvggz. Ook voor deze groep geldt dat de rechtspositie bepaald wordt door de afgegeven zorgmachtiging. Met het oog op de veiligheid in de instelling en een goede zorgverlening, schrijft dit lid evenwel voor dat plaatsing in een FPC alleen mogelijk is, indien in de zorgmachtiging de beheersbevoegdheden van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Dit is noodzakelijk voor de veiligheid van personeel en patiënten. Patiënten met een zorgmachtiging worden immers slechts in een tbs-instelling geplaatst in de uitzonderlijke situatie waarin zij zodanig gedrag vertonen dat zij in de reguliere instelling niet te handhaven zijn en alleen een FPC het noodzakelijke beveiligingsniveau kan bieden. Niet alleen de muren, maar ook de manier van werken in de instelling, de maatregelen die jegens de patiënt genomen kunnen worden en de verhouding tussen personeel en patiënten zijn essentieel voor een ordelijk en veilig verloop van de behandeling.
Dit artikellid biedt mitsdien voor uitzonderlijke gevallen een wettelijke grondslag om bevoegdheden die verder gaan dan de bevoegdheden die op grond van artikel 3:2, tweede lid, geboden kunnen worden, in de zorgmachtiging op te nemen.” [8]
Aangezien het systeem van de Wvggz met deze plaatsing niet wordt doorbroken – de interne rechtspositie van betrokkene wordt bepaald door de zorgmachtiging en valt derhalve onder de Wvggz – is met het oog op de noodzakelijk geachte goede zorgverlening en de veiligheid voor betrokkenen en personeel in de instelling vereist dat ook de beheersbevoegdheden van de Bvt van toepassing worden verklaard in de zorgmachtiging. Dat brengt met zich mee dat het klachtrecht ook onder de Wvggz uitgeoefend kan worden ten aanzien van deze beheersbevoegdheden. Daarbij wordt de klachtencommissie geacht rekening te houden met de ten aanzien van deze bevoegdheden ontwikkelde jurisprudentie, zoals neergelegd in de oordelen van de beklagcommissie als bedoeld in de Bvt en de uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming en de Hoge Raad.” [10]
Onderdeel I (artikel 3.4 Wfz)
rechtspositie van (niet) ter beschikking gestelden.
De Nederlandse ggz verzoekt om duidelijke, éénduidige en werkbare wetgeving ten aanzien van forensische patiënten die in een Wvggz-accommodatie verblijven en niet-forensische patiënten die in een FPC(instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, verder: tbs-instelling)
zijn opgenomen. Ter toelichting verwijst de Nederlandse ggz naar artikel 6.4, derde tot en met vijfde lid, Wvggz waarin is bepaald dat bepaalde onderdelen van de Bvt van toepassing zijn op patiënten die met een zorgmachtiging op basis van de Wvggz in een FPC zijn geplaatst in relatie tot het voorgestelde in artikel 3.3, tweede lid, Wfz waarin is bepaald dat delen van de Bvt van toepassing kunnen worden verklaard. In artikel II, onderdeel C, wordt vervolgens een aantal bepalingen van de Bvt van toepassing verklaard. Ook de RSJ maakt in zijn advies opmerkingen over de rechtspositie.
De RSJvindt dat de (externe) rechtspositie van tbs-gestelden in een private instelling zonder specifieke aanwijzing met dit wetsvoorstel is verduidelijkt en dat de eerder gesignaleerde onduidelijkheden daarmee zijn weggenomen, maar
vindt de rechtspositie van niet ter beschikking gestelden in een tbs-instelling nog onvoldoende verduidelijkt. De RSJ adviseert de rechtspositie van niet ter beschikking gestelden, die zijn geplaatst in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, expliciet te verduidelijken in een wettelijke regeling. Ter toelichting geeft de RSJ aan dat in de Wfz onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende instellingen (op basis van de artikelen 3.1 tot en met 3.3 Wfz). Dit onderscheid is van groot belang voor de rechtspositie van de daarin opgenomen betrokkenen, aldus de RSJ. Naar aanleiding van de adviezen van de Nederlandse ggz en de RSJ wordt hieronder nader ingegaan op de rechtspositie van tbs-gestelden en niet tbs-gestelden. Verder is de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel H (artikel 3.3. Wfz) verduidelijkt.
externe rechtspositievan forensische patiënten, wordt – afhankelijk van de forensische titel – bepaald door de toepasselijke justitiewetgeving: Wetboek van Strafrecht (Sr), Wetboek van Strafvordering (Sv), Bvt, Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) en de Wfz. Dit ziet ook op de verlofprocedures. De Wvggz doet daaraan geen afbreuk, zoals ook blijkt uit artikel 9:2 Wvggz Pro. In dat artikel is bepaald dat de Minister voor Rechtsbescherming over het verlof van ter beschikking gestelden gaat (Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 27).
in een instelling voor de verpleging van tbs-gestelden (FPC) geldt de Bvt, met uitzondering van personen die vanuit een GGZ-instelling worden geplaatst; voor die groep geldt de Wvggz,
in een accommodatie als bedoeld in de Wvggz geldt de Wvggz; dat wil zeggen de interne rechtspositie op basis van een zorgmachtiging, met dien verstande dat voor forensische patiënten in hoofdstuk 9 Wvggz wel specifieke algemene rechtspositionele bepalingen zijn opgenomen,
De rechter is verplicht in een dergelijk geval een groot aantal bepalingen uit de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van toepassing te verklaren. Feitelijk zijn dat alle beheersbevoegdheden die deze wet beschrijft. (…)
Dus hoe fraai art. 6:4 lid 5 ook Pro begint met de bepaling dat de rechtspositie die betrokkene heeft op basis van de wet verplichte ggz gehandhaafd blijft, in de praktijk kunnen zijn vrijheden op diverse manieren veel ingrijpender worden beperkt bij een plaatsing in een forensische kliniek. Als rechtvaardiging voor deze inperking van de rechten van betrokkene bij een opname geeft de wetgever aan dat noodzakelijk is in verband met de veiligheid van personeel en patiënten. Plaatsing in een tbs-instelling zal volgens de toelichting op de wet voor patiënten met een zorgmachtiging slechts plaatsvinden in een uitzonderlijke situatie, waarin zij zodanig gedrag vertonen dat zij in de reguliere instelling niet te handhaven zijn vanwege het noodzakelijke beveiligingsniveau, dat alleen een fpc kan bieden. De vraag blijft gerechtvaardigd of het inderdaad beperkt zal blijven tot uitzonderingsgevallen. Onder de Wet Bopz zagen we al dat het aantal plaatsingen van patiënten met een rechterlijke machtiging in een fpc met de jaren toenam. De steeds complexere maatschappij, de individualisering, de toename van de ernst van sommige stoornissen en van het daaruit voortvloeiende gevaar, een beddenreductie in de psychiatrische ziekenhuizen en de ambulantisering van de zorg werden in de literatuur als redenen daarvoor aangevoerd. Die redenen lijken ook nu nog aanwezig waarbij het primaire doel zelfs is geworden dat alle, ook verplichte zorg in beginsel ambulant moet worden gegeven.
Bezien zal moeten worden of inderdaad, zoals de wetgever stelt, toch alleen in uitzonderingsgevallen een plaatsing van een patiënt met een zorgmachtiging in een fpc zal worden bevolen door de rechter. Mijn ervaring is dat betrokkene in de meeste gevallen ernstig bezwaar maakt tegen een verblijf in een fpc, vanwege onder anderehet stigmatiserende karakter ervan, het gegeven dat men dan tussen strafrechtelijk veroordeelden zit en
het strengere regime dat er geldt.” [14]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
omdat de beslissingen ter zake, (…) juist iedere keer bij voorrang dienen te worden getoetst aan de hand van de actuele situatie van verzoeker als bedoeld in artikel 8:9 lid 1 jo Pro. artikel 2:1 lid 3 Wvggz Pro”.
ter uitvoering van(…)
de zorgmachtigingeen beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet dan nadat hij:
een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van(…)
de zorgmachtigingop schrift en voorziet de beslissing van een schriftelijke motivering.
De geneesheer-directeur geeft betrokkene, de vertegenwoordiger en de advocaat een afschrift van de beslissingen stelt hen schriftelijk in kennis van de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de patiëntenvertrouwenspersoon en de familievertrouwenspersoon.”
noodzakelijk geachte verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging, de genoemde bepalingen van de Wvvgz, met de daarin genoemde waarborgen, van toepassing zijn. De bepalingen van de Bvt zijn dáárop niet van toepassing. Het gaat uitsluitend om
zorgverleningdie naar het oordeel van de zorgverantwoordelijke noodzakelijk wordt geacht. De individuele zorg staat bij de te nemen beslissing centraal, niet de veiligheid binnen de instelling. Hetgeen is bepaald in de in art. 6:4 lid 5 Wvggz Pro genoemde artikelen uit de Bvt betreft maatregelen die kunnen worden genomen met het oog op de veiligheid in de instelling en de naleving van de bij of krachtens de wet gegeven regels. Dit betreft derhalve een andere situatie.
nietgenomen kunnen worden uit hoofde van de zorgmachtiging. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat de insluiting die heeft plaatsgevonden en de (eenmalige) kamercontrole ‘beheersbevoegdheden’ waren op grond van de Bvt. Tegen deze beslissingen stond op grond van art 10:3 lid 2 Wvggz Pro eveneens de klachtprocedure van de Wvggz open. Betrokkene was zich daar klaarblijkelijk van bewust want hij hééft die klachtprocedure ook doorlopen.
deels meer gegrond was op de Wvggz” en dat daarom toepassing moest worden gegeven aan art. 8:9 leden Pro 2 en 3 Wvggz. Eerder in dezelfde rechtsoverweging heeft de rechtbank geoordeeld dat
nietis gebleken dat de criteria van verplichte zorg, zoals genoemd in art. 3:3 Wvggz Pro, bij de genomen beslissing tot het toezicht houden op bezoek, niet juist zijn toegepast. Aldus heeft de rechtbank, wat deze beslissing betreft, gedaan wat het onderdeel voor ogen staat. Een en ander komt nader aan de orde bij de bespreking van onderdeel 3.
via een achterdeur” een vorm van zorg toe die niet is opgenomen in de zorgmachtiging. Doordat de rechtbank het beroep van de zorgaanbieder op Bvt-regelgeving honoreert, wordt ‘insluiten’ als vorm van verplichte zorg alsnog uitgevoerd en wordt de zorgmachtiging “
gepasseerd, althans buiten werking gesteld”. Hierdoor worden de rechten van betrokkene, althans zijn rechtspositie, aangetast en wordt gehandeld in strijd met art. 8:9 Wvggz Pro.
één of twee keer” dat betrokkene overdag is afgezonderd. Ik kan het oordeel van de rechtbank dat er (daarbij) van de maatregel ‘insluiten’ geen gebruik is gemaakt, niet goed volgen. Er is van insluiting sprake geweest, maar het oordeel dat de van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen in de Bvt betreffende bewegingsvrijheid in de inrichting juist zijn toegepast wordt daar niet door aangetast. De reden voor het (maximaal twee keer) afzonderen/insluiten van (naar ik aanneem: onder andere) betrokkene is geweest het voorkomen van het ontstaan van een onveilige situatie op de afdeling als gevolg van personeelstekort.
nietuitsluit dat een maatregel die hetzelfde gevolg heeft, kan worden genomen op grond van één of meer van de van toepassing verklaarde bepalingen uit de Bvt (of de huisregels, zie art. 3.4 Wfz), en wel op de daar genoemde gronden. Deze situatie is hier aan de orde. De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie tot het opnemen in de zorgmachtiging van de vorm van verplichte zorg ‘insluiten’ afgewezen. Dit neemt niet weg dat de beslissing tot afzonderen/insluiten uit hoofde van veiligheidsredenen kon worden genomen op grond van bepalingen uit hoofdstuk VI van de Bvt. Anders dan het onderdeel betoogt, is niet “
in strijd gehandeld” met art. 8:9 Wvggz Pro. Dit artikel was in dit geval niet van toepassing. Onjuist is daarom de stelling dat “
via een achterdeur” een vorm van zorg die niet is opgenomen in de zorgmachtiging op betrokkene zou zijn toegepast.
heeftbetrokkene de klachtprocedure geheel doorlopen. Ik merk nog op dat het onderdeel
nietopkomt tegen het oordeel in rov. 5.4 dat niet is gebleken dat de criteria van verplichte zorg, zoals genoemd in art. 3.3 Wvggz, bij de genomen beslissing niet juist zijn toegepast. De rechtbank overweegt in dat verband:
als uitgangspunt dient te worden genomen” en daarin in dit geval de betreffende vorm van verplichte zorg is afgewezen. (procesinleiding, onder 14)
isook niet genomen.
de accommodatie” van voorwerpen die betrokkene niet in zijn bezit mag hebben of die ernstig nadeel veroorzaken, ter voorkoming van een noodsituatie, een beslissing nemen tot onder meer ‘onderzoek van de woonruimte binnen de accommodatie van betrokkene’ (onder b). Het voorwerp van onderzoek wordt in dit artikel ruimer geformuleerd dan in art. 3:2 lid Pro 2, aanhef en onder f, Wvggz. Het gaat hier niet alleen om ‘gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen’ maar, meer algemeen, om ‘voorwerpen die betrokkene niet in zijn bezit mag hebben of die ernstig nadeel veroorzaken’. Het artikel biedt geen grondslag voor onderzoeken in het kader van de algemene preventie.
nietin een accommodatie als bedoeld in de Wvggz. Art. 8:14 Wvggz Pro is derhalve niet van toepassing. Betrokkene is opgenomen in een instelling als bedoeld in 3.3 lid 1 Wfz. In de zorgmachtiging is conform de wet bepaald dat voor duur van de machtiging hoofdstuk V (‘Controle en geweldgebruik’) van de Bvt
van toepassing is. Art. 29 lid Pro 1, onder a, Bvt bepaalt dat het hoofd van de instelling bevoegd is de persoonlijke verblijfsruimte van een verpleegde op de aanwezigheid van voorwerpen, die niet in zijn bezit mogen zijn, te onderzoeken, indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van ‘het algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen’ in de persoonlijke verblijfsruimten van verpleegden, of indien dit anderszins noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in art. 23 lid 1 Bvt Pro. Dit artikel biedt, anders dan art. 8:14 Wvggz Pro, wel een grondslag voor routineonderzoeken in het kader van de algemene preventie.