Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
De waarde van de woning
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap waarbij de waarde van de echtelijke woning centraal staat. Partijen waren overeengekomen dat de man drie maanden de tijd krijgt om te onderzoeken of hij de woning aan zich kan laten toedelen. De vrouw stelde dat de woning getaxeerd moest worden op €331.000, terwijl het hof de waarde op €280.000 stelde, gebaseerd op een taxatierapport van een makelaar die door partijen gezamenlijk was ingeschakeld.
De vrouw voerde aan dat het taxatierapport niet betrouwbaar was, onder meer omdat de validatie door het Nederlands Woning Waarde Instituut was ingetrokken en dat er geen nieuw overleg had plaatsgevonden na de taxatie. Het hof oordeelde echter dat deze bezwaren onvoldoende waren om het taxatierapport terzijde te stellen en dat de man de woning voor €280.000 kan overnemen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. De klachten van de vrouw over het taxatierapport en het ontbreken van een nieuw overleg worden verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat de uitleg van de gedingstukken aan de feitenrechter is voorbehouden en dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd die het taxatierapport substantieel ondermijnen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de waarde van €280.000 voor de woning en de regeling dat de man drie maanden de tijd heeft om de woning aan zich te laten toedelen tegen deze waarde.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de waardebepaling van de woning op €280.000.