Conclusie
verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. J.C. Zevenberg,
verweerder in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
primairte bepalen dat de woning wordt verkocht tegen de verkoopprijs van € 331.000,-;
subsidiairde woning aan de man toe te delen tegen de waarde van € 331.000,-,
meer subsidiairhaar te machtigen tot het te gelde maken van de woning overeenkomstig art. 3:174 lid 1 BW Pro;
primairtoedeling aan de man voor € 280.000,-,
subsidiaireen andere makelaar en
meer subsidiairverkoop van de woning.”
De waarde van de woning
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachtbetreft het oordeel van het hof in r.o. 6.10.2 dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of de daarin vastgestelde waarde heeft aangevoerd. Volgens het middel is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu de vrouw in haar bericht van 1 september 2023 [2] zich wel inhoudelijk heeft verzet tegen het rapport van [makelaar] en de daarin genoemde waarde. In het middel wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op de stelling van de vrouw dat de validatie van het rapport van [makelaar] is ingetrokken door het Nederlandse Woning Waarde Instituut (hierna: NWWI). Deze stelling raakt de onderbouwing van de taxatiewaarde en moet dus als inhoudelijk argument tegen het taxatierapport van [makelaar] aangemerkt worden, aldus de klacht. Ook met het beroep van de vrouw op de nieuwe, op initiatief van de vrouw verrichte taxatie door makelaar [makelaar 2] heeft zij zich inhoudelijk tegen de door [makelaar] vastgestelde waarde verzet, nu in het rapport van [makelaar 2] van een andere taxatiewaarde dan in het rapport van [makelaar] wordt uitgegaan, aldus de klacht.
tweede klachtbetreft de overweging van het hof in r.o. 6.10.2 dat de bezwaren die de vrouw wel noemt van onvoldoende gewicht zijn om de, op gezamenlijke beslissing van partijen, door [makelaar] verrichte taxatie terzijde te stellen. Ik begrijp deze klacht aldus dat het oordeel van het hof om aan te sluiten bij de taxatie van [makelaar] onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de uitdrukkelijke stellingen van de vrouw dat partijen tijdens het viergesprek op 2 februari 2023 hadden afgesproken dat zij na ontvangst van het taxatierapport van [makelaar] eerst weer met elkaar in gesprek zouden gaan, welke afspraak de man niet is nagekomen. [3]
- de man heeft [makelaar] alle mankementen van de woning laten zien;
- het taxatierapport vermeldt alleen de man als opdrachtgever;
- de man heeft de vrouw niet geïnformeerd over de ontvangst en de inhoud van het taxatierapport; en
- de man heeft niet ingestemd met een nieuw viergesprek over het rapport van [makelaar] .
eerste klachtvan het middel houdt in dat het hof, in het kader van zijn oordeel in r.o. 6.10.2 dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of tegen de daarin vastgestelde waarde heeft aangevoerd, niet ook is ingegaan op stellingen van de vrouw die volgens het middel wel als inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of tegen de daarin vastgestelde waarde zijn aan te merken, te weten:
- het beroep van de vrouw op de nieuwe, afwijkende taxatie door [makelaar 2] . [14]
tweede klacht. Deze klacht houdt, als ik het goed zie, in dat het oordeel van het hof om aan te sluiten bij de taxatie van [makelaar] onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de uitdrukkelijke stellingen van de vrouw dat partijen hadden afgesproken dat zij na ontvangst van het taxatierapport van [makelaar] eerst weer met elkaar in gesprek zouden gaan, welke afspraak de man niet is nagekomen. [15]