ECLI:NL:PHR:2024:864

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
24/00313
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 lid 2 RvArt. 3:174 lid 1 BWArt. 3:300 BWArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over waarde woning bij echtscheiding wegens onvoldoende motivering

In deze echtscheidingszaak staat de waardebepaling van de echtelijke woning centraal. Partijen zijn eigenaar van de woning en hebben twee verschillende taxatierapporten overgelegd: een gezamenlijke taxatie van €280.000 en een door de vrouw geïnitieerde taxatie van €331.000. Het hof koos voor de lagere waarde en wees de woning toe aan de man tegen deze waarde.

De vrouw stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom haar inhoudelijke bezwaren tegen het eerste taxatierapport werden verworpen. Zij verwees onder meer naar het intrekken van de validatie van het rapport door het NWWI en de gemaakte afspraken over een nieuw overleg na ontvangst van het rapport, die niet waren nagekomen. Het hof ging hier niet inhoudelijk op in.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport had aangevoerd en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de genoemde bezwaren niet tot een ander oordeel leiden. Hierdoor is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van de motiveringsplicht.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering over de taxatiewaarde van de woning.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00313
Zitting30 augustus 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de vrouw] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. J.C. Zevenberg,
tegen
[de man] ,
verweerder in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen.

1.Inleiding

1.1
In deze echtscheidingszaak gaat het in cassatie uitsluitend nog over het oordeel van het hof over de waarde van de woning. Bij het hof liggen twee partijdeskundigenrapporten met nogal uiteenlopende taxatiewaardes voor. Het eerste taxatierapport is opgesteld door een door partijen gezamenlijk ingeschakelde makelaar, waarbij alleen de man als opdrachtgever is vermeld in het rapport. Na deze eerste taxatie heeft de vrouw de woning door een andere makelaar laten taxeren, die de woning op een hogere waarde heeft getaxeerd dan de eerste makelaar. Volgens het hof heeft de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het eerste taxatierapport of de daarin vastgestelde waarde aangevoerd. De wel door de vrouw genoemde bezwaren acht het hof van onvoldoende gewicht om het eerste taxatierapport terzijde te schuiven. Tegen deze oordelen van het hof richt zich het middel.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, zoals weergegeven door gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) in r.o. 4 van zijn beschikking van 9 november 2023 [1] (hierna: de bestreden beschikking):
(i) partijen zijn op 9 september 2013 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;
(ii) de vrouw heeft op 22 november 2021 een echtscheidingszaak aanhangig gemaakt;
(iii) bij beschikking van 29 juni 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de rechtbank), de echtscheiding uitgesproken;
(iv) de echtscheidingsbeschikking is op 12 december 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
(v) partijen zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning staande en gelegen aan de […straat, nummer…] te [plaats] (hierna ook: de woning).
(vi) op de woning rust een hypothecaire geldlening, waaraan een levensverzekering bij Reaal is verbonden.
2.2
In haar beschikking van 29 juni 2022 heeft de rechtbank ten aanzien van de woning – voor zover in cassatie van belang − als volgt overwogen:
“4.24. (…) Verder verzoekt de vrouw te bepalen dat de echtelijke woning wordt verkocht, waarbij de achterstand in hypotheekbetalingen van € 2.999,34 in mindering wordt gebracht op de overwaarde. De overwaarde en de bijbehorende verzekeringen worden vervolgens bij helfte tussen partijen verdeeld.
4.25.
De man voert gemotiveerd verweer. De man geeft aan te willen onderzoeken of het voor hem mogelijk is de woning over te nemen.
4.26.
Op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank uitvoerig met partijen stilgestaan bij hun standpunten en visies. Uiteindelijk hebben partijen de volgende afspraken gemaakt:
- vanaf de datum van de beschikking krijgt de man drie maanden de tijd om te onderzoeken of hij financieel in staat is de echtelijke woning in eigendom over te nemen. Binnen deze termijn zal de man bij de vrouw aangeven of hij hiertoe in staat is;
(…)
- indien de man financieel niet in staat is de woning over te nemen, zal de woning worden verkocht. Partijen zullen hieraan de benodigde medewerking verlenen;
(…)
- bij verkoop van de woning zal de overwaarde bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat hierop eerst in mindering strekt de hypothecaire geldlening, de actuele achterstand in hypotheekbetalingen en de met de verkoop gepaard gaande kosten;
(…). Gelet op de overeenstemming tussen partijen beschouwt de rechtbank de verzoeken van partijen op het punt van de echtelijke woning als ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer zal beslissen. Dit laat onverlet dat de gemaakte afspraken als zodanig wel tussen partijen gelden en zij hieraan uitvoering dienen te geven.”
2.3
De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof. Zij heeft ten aanzien van de woning uiteindelijk verzocht, zoals weergegeven in r.o. 5.2 van de bestreden beschikking:
“(…)
ten aanzien van de woning
I. de afspraken zoals neergelegd in rov. 4.26. van de bestreden beschikking te vernietigen;
II.
primairte bepalen dat de woning wordt verkocht tegen de verkoopprijs van € 331.000,-;
III.
subsidiairde woning aan de man toe te delen tegen de waarde van € 331.000,-,
subsidiair tegen een door een nieuwe taxatie vast te stellen waarde;
IV.
meer subsidiairhaar te machtigen tot het te gelde maken van de woning overeenkomstig art. 3:174 lid 1 BW Pro;
V. te bepalen dat, indien de man niet binnen één week na betekening van de beschikking van het hof de vereiste medewerking aan de verkoop van de woning verleent, deze beschikking overeenkomstig art. 3:300 BW Pro in de plaats zal treden van de akte tot levering van de woning;
VI. te bepalen dat met de overname/verkoop van de woning de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dit binnen één week na betekening van de beschikking van het hof, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man hiermee in gebreke blijft;
(…)”
2.4
De man heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld, zoals weergegeven in r.o. 5.3 van de bestreden beschikking:
“5.3. De man verzoekt het principale hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en haar verzoeken af te wijzen.
Bij wege van voorwaardelijk incidenteel beroep "dat wil zeggen enkel en alleen voor de situatie dat het beroep van de vrouw ter zake (…) de echtelijke woning slaagt en de beslissingen in dat kader worden vernietigd, de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda d.d. 29 juni 2022 (kenmerk: C/02/3692050 FA RK 21- 5528) voor zover het de overwegingen en/of de beslissing ter zake (…) de echtelijke woning betreft, te vernietigen” en te bepalen dat hij vanaf de datum van de taxatie van de woning drie maanden de tijd heeft om de woning over te nemen, onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.”
2.5
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 september 2023 bij het hof is namens de man zijn verzoek betreffende de woning als volgt geformuleerd:

primairtoedeling aan de man voor € 280.000,-,
subsidiaireen andere makelaar en
meer subsidiairverkoop van de woning.”
2.6
De vrouw heeft verzocht het incidenteel hoger beroep van de man ongegrond te verklaren en zijn verzoeken af te wijzen.
2.7
In de bestreden beschikking heeft het hof ten aanzien van de woning, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

De waarde van de woning
6.10.1.
Partijen hebben, ter uitvoering van de gemaakte afspraken, in een viergesprek op 2 februari 2023 afgesproken de opdracht tot taxatie aan [makelaar] te verlenen. [makelaar] heeft de woning vervolgens getaxeerd op een waarde van € 280.000,- per 9 februari 2023. De vrouw stemt niet in met die waarde. Daartoe voert zij, samengevat, aan dat de man en [makelaar] tijdens de taxatie ‘buiten veel overleg met elkaar hebben gevoerd’, de man [makelaar] alle mankementen van de woning heeft laten zien, het taxatierapport alleen de man als opdrachtgever vermeldt, de man haar niet over de ontvangst en inhoud van het taxatierapport heeft geïnformeerd en niet heeft ingestemd met een nieuw viergesprek. Zij vindt dat daarom moet worden uitgegaan van de vervolgens in haar opdracht uitgevoerde nieuwe taxatie, waarbij de woning is getaxeerd op een waarde van € 331.000,-. Subsidiair moet worden uitgegaan van een door een nieuwe taxatie vast te stellen waarde. De man heeft de stellingen van de vrouw weersproken.
6.10.2.
Het hof is van oordeel dat de man de woning aan zich kan laten toedelen tegen de door [makelaar] getaxeerde waarde van € 280.000,-. Inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of de vastgestelde waarde voert de vrouw niet aan. De bezwaren die zij wel noemt, acht het hof van onvoldoende gewicht om de op gezamenlijke beslissing van partijen door [makelaar] verrichte taxatie, terzijde te stellen. De man heeft bij de mondelinge behandeling uitgelegd dat [makelaar] hem er tijdens de taxatie op had gewezen dat het taxatierapport alleen hem als opdrachtgever dient te vermelden omdat anders voor de financiering een nieuwe taxatie nodig zou zijn. Die uitleg is niet c.q. onvoldoende weersproken en de vrouw heeft bovendien niet duidelijk gemaakt, tot welk nadeel de vermelding van alleen de man als opdrachtgever voor haar leidt. De vrouw was zelf bij de taxatie aanwezig. Waar de man [makelaar] zou hebben gewezen op de mankementen van de woning, is zij in de gelegenheid geweest te wijzen op de pluspunten van de woning. Het is aan [makelaar] , als deskundige, een en ander op waarde te beoordelen. Gesteld noch gebleken is dat hij dit op onjuiste wijze heeft gedaan. Dat de man haar niet over de ontvangst en inhoud van het taxatierapport heeft geïnformeerd en niet heeft ingestemd met een nieuw viergesprek, ten slotte, doet geen afbreuk aan de getaxeerde waarde. Dit betekent dat de man overeenkomstig de afspraak van partijen drie maanden na de beschikking van, thans, het hof de tijd heeft te onderzoeken of hij de woning voor € 280.000,- aan zich kan laten toedelen.”
2.8
Bij de bestreden beschikking heeft het hof in r.o. 8 de beschikking van de rechtbank vernietigd, onder meer, voor zover het de woning betreft, daarbij − voor zover in cassatie van belang − opnieuw beschikkend:
“(…)
bepaalt de waarde waartegen de man de woning staande en gelegen aan de […straat, nummer…], […] te [plaats] aan zich kan laten toedelen op € 280.000,-
(…)”
2.9
Namens de vrouw is beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen r.o. 6.10.1 en 6.10.2 van de bestreden beschikking, zoals hiervoor onder 2.7 geciteerd.
3.2
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de man de woning aan zich kan laten toedelen tegen de door makelaar [makelaar] getaxeerde waarde van € 280.000,- blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
3.3
Ik lees twee klachten in het middel. De
eerste klachtbetreft het oordeel van het hof in r.o. 6.10.2 dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of de daarin vastgestelde waarde heeft aangevoerd. Volgens het middel is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu de vrouw in haar bericht van 1 september 2023 [2] zich wel inhoudelijk heeft verzet tegen het rapport van [makelaar] en de daarin genoemde waarde. In het middel wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op de stelling van de vrouw dat de validatie van het rapport van [makelaar] is ingetrokken door het Nederlandse Woning Waarde Instituut (hierna: NWWI). Deze stelling raakt de onderbouwing van de taxatiewaarde en moet dus als inhoudelijk argument tegen het taxatierapport van [makelaar] aangemerkt worden, aldus de klacht. Ook met het beroep van de vrouw op de nieuwe, op initiatief van de vrouw verrichte taxatie door makelaar [makelaar 2] heeft zij zich inhoudelijk tegen de door [makelaar] vastgestelde waarde verzet, nu in het rapport van [makelaar 2] van een andere taxatiewaarde dan in het rapport van [makelaar] wordt uitgegaan, aldus de klacht.
3.4
De
tweede klachtbetreft de overweging van het hof in r.o. 6.10.2 dat de bezwaren die de vrouw wel noemt van onvoldoende gewicht zijn om de, op gezamenlijke beslissing van partijen, door [makelaar] verrichte taxatie terzijde te stellen. Ik begrijp deze klacht aldus dat het oordeel van het hof om aan te sluiten bij de taxatie van [makelaar] onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de uitdrukkelijke stellingen van de vrouw dat partijen tijdens het viergesprek op 2 februari 2023 hadden afgesproken dat zij na ontvangst van het taxatierapport van [makelaar] eerst weer met elkaar in gesprek zouden gaan, welke afspraak de man niet is nagekomen. [3]
3.5
Afsluitend en samenvattend klaagt het middel dat het hof bij het beoordelen van de stellingen van de vrouw met betrekking tot de validatie (klacht 1) en de tussen partijen gemaakte afspraken (klacht 2) is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat de beschikking, nu in het geheel niet op deze stellingen is ingegaan, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
3.6
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.7
Een deskundige kan op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van beide partijen een rapport opstellen. Deze deskundige wordt ook wel aangeduid als partijdeskundige, [4] ter onderscheiding van de door de rechter op grond van artikel 194 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) benoemde deskundige.
3.8
Wanneer het rapport van een partijdeskundige door een partij in het geding wordt gebracht, heeft het de betekenis van schriftelijk bewijs. [5]
3.9
Indien een op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht partijdeskundigenrapport in het geding is gebracht, is de waardering van het bewijs in beginsel voorbehouden aan de rechter (art. 152 lid 2 Rv Pro), waarbij de rechter een grote mate van vrijheid heeft. [6] Gelet hierop staat het de rechter ook vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan. Het daaropvolgende bewijsoordeel van de rechter is van feitelijke aard en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden onderzocht. [7]
3.1
De Groot schrijft mijn inziens terecht dat bij de bewijswaardering van een partijdeskundigenrapport overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv Pro de rechter onder meer acht pleegt te slaan op de mate waarin het rapport op tegenspraak tot stand is gekomen. Relevant daarbij is bijvoorbeeld of het rapport is uitgebracht op gezamenlijk verzoek van partijen dan wel op verzoek van één partij, of partijen het eens waren over de keuze van de deskundige, de te stellen vragen en of partijen opmerkingen hebben kunnen maken bij de deskundige naar aanleiding van het conceptrapport. [8]
3.11
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de feitenrechter een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen, in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. [9]
3.12
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.13
In deze echtscheidingszaak gaat het, naar ik het middel begrijp, in cassatie uitsluitend nog over het oordeel van het hof over de waarde van de woning.
3.14
Aan het hof liggen twee partijdeskundigenrapporten voor:
- het rapport van [makelaar] (hierna: [makelaar] ) van [makelaarskantoor 1] ; [10]
- het rapport van [makelaar 2] (hierna: [makelaar 2] ) van [makelaarskantoor 2] . [11]
3.15
[makelaar] heeft de woning op verzoek van beide partijen getaxeerd op 9 februari 2023. In het taxatierapport van 10 februari 2023 staat alleen de man als opdrachtgever vermeld. In het rapport wordt de marktwaarde van de woning op 9 februari 2023 bepaald op € 280.000,-.
3.16
[makelaar 2] heeft de woning op verzoek van alleen de vrouw getaxeerd op 17 april 2023. In het ongedateerde taxatierapport staat de vrouw als opdrachtgever vermeld. In het rapport wordt de marktwaarde van de woning op 17 april 2023 bepaald op € 331.000,-.
3.17
Tussen partijen is niet in geschil dat partijen tijdens het viergesprek op 2 februari 2023 hebben afgesproken dat [makelaar] de woning zou taxeren.
3.18
In haar bericht van 1 september 2023 [12] heeft de vrouw omstandigheden tijdens en na de inspectie van de woning door [makelaar] vermeld die, ik zeg het in mijn eigen woorden, haar argwaan rondom de inspectie en taxatie door [makelaar] hebben gewekt. Nadat het vervolgens niet is gekomen tot het door de vrouw gewenste nieuwe viergesprek over de inhoud van het taxatierapport van [makelaar] heeft [makelaar 2] opdracht gegeven een nieuwe taxatie uit te voeren, aldus de vrouw in genoemd bericht van 1 september 2023.
3.19
En zo liggen dus twee partijdeskundigenrapporten met nogal uiteenlopende taxatiewaardes voor bij het hof. Het hof neemt in zijn beoordeling het taxatierapport van [makelaar] als uitgangspunt. Dit volgt uit de eerste overwegingen van r.o. 6.10.2:
“6.10.2. Het hof is van oordeel dat de man de woning aan zich kan laten toedelen tegen de door [makelaar] getaxeerde waarde van € 280.000,-. Inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of de vastgestelde waarde voert de vrouw niet aan. De bezwaren die zij wel noemt, acht het hof van onvoldoende gewicht om de op gezamenlijke beslissing van partijen door [makelaar] verrichte taxatie, terzijde te stellen. (…) ”
3.2
Bij de bewijswaardering van dit rapport van [makelaar] oordeelt het hof in r.o. 6.10.2 eerst dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen dit rapport of tegen de daarin vastgestelde waarde heeft aangevoerd. Vervolgens beoordeelt het hof de volgens het hof wel genoemde bezwaren van de vrouw, zoals opgesomd in r.o. 6.10.1 (hiervoor geciteerd onder 2.7), ter beantwoording van de vraag of deze van voldoende gewicht zijn om de taxatie door [makelaar] terzijde te stellen. Het gaat hierbij mijns inziens om de door vrouw genoemde omstandigheden rondom de inspectie en taxatie door [makelaar] die haar argwaan hebben gewekt en die haar ertoe hebben gebracht de taxatie door [makelaar 2] te laten uitvoeren, te weten:
- de man en [makelaar] hebben tijdens de taxatie buiten veel overleg gevoerd;
- de man heeft [makelaar] alle mankementen van de woning laten zien;
- het taxatierapport vermeldt alleen de man als opdrachtgever;
- de man heeft de vrouw niet geïnformeerd over de ontvangst en de inhoud van het taxatierapport; en
- de man heeft niet ingestemd met een nieuw viergesprek over het rapport van [makelaar] .
3.21
In r.o. 6.10.2 (hiervoor geciteerd onder 2.7) worden deze bezwaren van de vrouw door het hof stuk voor stuk beoordeeld en te licht bevonden. Het hof sluit na deze beoordeling van de bezwaren van de vrouw voor het bepalen van de waarde van de woning aan bij het taxatierapport van [makelaar] . Daarbij weegt voor het hof kennelijk ook mee dat [makelaar] de taxatie op gezamenlijke beslissing van partijen heeft verricht, anders dan de taxatie door [makelaar 2] .
3.22
Ik krijg de indruk dat het hof met zijn beschikking partijen duidelijkheid heeft willen geven door de knoop door te hakken over de waarde van de woning op basis van de voorliggende stukken, waarna de man kon onderzoeken of hij de woning voor die waarde aan zich kon laten toedelen. Voor de door beide partijen subsidiair genoemde mogelijkheid van taxatie door een derde makelaar heeft het hof immers niet gekozen.
3.23
Gelet op de vrije bewijswaardering stond het het hof vrij om bij zijn beoordeling van het geschil het rapport van [makelaar] tot uitgangspunt te nemen, ook nu de vrouw in het partijdebat bezwaren daartegen heeft geuit. Het daaropvolgende bewijsoordeel van de rechter is van feitelijke aard. Dit oordeel kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden onderzocht, waartoe ik nu overga.
3.24
De
eerste klachtvan het middel houdt in dat het hof, in het kader van zijn oordeel in r.o. 6.10.2 dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of tegen de daarin vastgestelde waarde heeft aangevoerd, niet ook is ingegaan op stellingen van de vrouw die volgens het middel wel als inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of tegen de daarin vastgestelde waarde zijn aan te merken, te weten:
- haar stelling dat de validatie van het rapport van [makelaar] inmiddels is ingetrokken door het NWWI vanwege de geconstateerde waardeverschillen tussen de uitgevoerde taxaties door [makelaar] en [makelaar 2] , onder verwijzing naar de correspondentie tussen [makelaar 2] en de vrouw; [13] en
- het beroep van de vrouw op de nieuwe, afwijkende taxatie door [makelaar 2] . [14]
3.25
Deze eerste klacht slaagt. Mijns inziens richten de onder 3.24 genoemde onderbouwde stellingen van de vrouw zich tegen het rapport van [makelaar] en tegen de daarin vastgestelde waarde van de woning. Of deze stellingen ook inhoudelijke argumenten opleveren, is ter beoordeling van het hof. Op deze stellingen is het hof echter niet ingegaan in het kader van zijn oordeel in r.o. 6.10.2 dat de vrouw geen inhoudelijke argumenten tegen het taxatierapport van [makelaar] of tegen de daarin vastgestelde waarde heeft aangevoerd. Gelet op het voorgaande is dit oordeel van het hof zonder nadere motivering dan ook onbegrijpelijk, zoals de klacht terecht aanvoert.
3.26
Dit brengt mij op de
tweede klacht. Deze klacht houdt, als ik het goed zie, in dat het oordeel van het hof om aan te sluiten bij de taxatie van [makelaar] onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de uitdrukkelijke stellingen van de vrouw dat partijen hadden afgesproken dat zij na ontvangst van het taxatierapport van [makelaar] eerst weer met elkaar in gesprek zouden gaan, welke afspraak de man niet is nagekomen. [15]
3.27
Ik meen dat ook deze klacht slaagt. Over deze stellingen van de vrouw overweegt het hof in r.o. 6.10.2 slechts het volgende:
“Dat de man (…) niet heeft ingestemd met een nieuw viergesprek, ten slotte, doet geen afbreuk aan de getaxeerde waarde.”
3.28
De stellingen van de vrouw over de afspraak een nieuw viergesprek te hebben over het rapport van [makelaar] betreffen mijns inziens de mate waarin het rapport op tegenspraak tot stand is gekomen, waarbij ook relevant is of partijen opmerkingen hebben kunnen maken naar aanleiding van het (concept)rapport. Gelet hierop is mijns inziens zonder nadere motivering het oordeel van het hof, dat de bezwaren die de vrouw noemt van onvoldoende gewicht zijn om de, op gezamenlijke beslissing van partijen, door [makelaar] verrichte taxatie terzijde te stellen, onbegrijpelijk en wordt daarover dus terecht geklaagd.

4.Conclusie

4.1
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

2.Genoemd als ingekomen stuk in r.o. 3.4 van de bestreden beschikking.
3.Voor deze stellingen verwijst de vrouw ook weer naar haar bericht van 1 september 2023.
4.Zie bijv. G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, 2e druk, Den Haag:
5.De Groot, a.w., p. 103.
6.HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478,
7.Aldus HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654,
8.De Groot, a.w., p. 104, onder verwijzing naar HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3265, r.o. 3.8.
9.HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478,
10.In het geding in hoger beroep overgelegd door de vrouw als productie 7 bij haar bericht van 1 september 2023.
11.In het geding in hoger beroep overgelegd door de vrouw als productie 8 bij haar bericht van 1 september 2023.
12.In r.o. 3.4 van de bestreden beschikking vermeld onder de bij het hof ingekomen stukken.
13.Zie de procesinleiding tot cassatie onder 4-6.
14.Zie de procesinleiding tot cassatie onder 6.
15.Zie de procesinleiding tot cassatie onder 7.