ECLI:NL:HR:2024:1630

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
8 november 2024
Zaaknummer
22/01998
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 279.1 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onterecht niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in zaak medeplegen onttrekking minderjarige

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van onttrekking aan het gezag van zijn 12-jarige dochter door haar zonder toestemming van jeugdbescherming mee te nemen naar het buitenland. Het hof verklaarde het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk omdat het oordeelde dat geen schriftuur houdende grieven was ingediend namens verdachte. Dit ondanks dat grieven via een beveiligde e-maildienst ('zivver') tijdig waren ingediend en ontvangen in de mailbox van het hof.

De Hoge Raad stelde vast dat er een ernstig vermoeden bestaat dat namens verdachte voorafgaand aan het onderzoek een schriftuur met grieven is ingediend. Dit vermoeden is gebaseerd op e-mailcorrespondentie van een bestuurslid van het hof en de stukken die met het cassatieschrift waren meegezonden. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en afdoening van het hoger beroep.

De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing. De Hoge Raad benadrukte hiermee het belang van ontvankelijkheid en correcte behandeling van hoger beroep, vooral wanneer schrifturen tijdig en op juiste wijze zijn ingediend. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Dalebout en Posthumus op 12 november 2024.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van het hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01998
Datum12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 mei 2022, nummer 22-002366-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I. Car, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2024.