Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd verdacht van ontucht met een 9-jarig en een 13-jarig meisje, waarbij het hof de feiten bewezen achtte ondanks vrijspraak in eerste aanleg. De verdachte voerde onder meer een bewijsklacht aan en stelde dat het hof had moeten toetsen aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, stellende dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het niet onbegrijpelijk was dat het hof geen ambtshalve nader onderzoek noodzakelijk achtte. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwierp het beroep in cassatie.
De Hoge Raad bevestigde daarmee dat het oordeel van het hof over de bewijswaardering en de procesrechtelijke aspecten niet onbegrijpelijk was en dat er geen schending was van het recht op een eerlijk proces. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarmee het cassatieberoep definitief werd afgewezen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt bewezenverklaring ontucht door hof.