Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
3 december 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meervoudige bedreiging van zakenpartners in een zakelijk conflict. Het hof legde een gevangenisstraf van 14 dagen op, waarvan 9 dagen voorwaardelijk, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 12 uren. Ter motivering van de taakstraf stelde het hof dat de verdachte in eerste aanleg had verklaard dat hij een eventuele geldboete op een van zijn slachtoffers zou verhalen, waardoor een geldboete als sanctie niet passend werd geacht.
De Hoge Raad oordeelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg geen verklaring bevatte waarin de verdachte een dergelijke toezegging deed. Het hof had zich ten onrechte op het vonnis van de rechtbank gebaseerd, terwijl het proces-verbaal als enige kenbron geldt bij verschillen in verklaringen. Hierdoor was de motivering van de taakstraf onvoldoende.
De Hoge Raad vernietigde daarom het onderdeel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. Het overige cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.