ECLI:NL:HR:2024:1650

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
22/04249
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 181.1 SrArt. 300.1 SrArt. 304.1.3 SrArt. 36e.2.b Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late indiening ondanks rechtsgeldige aanzegging

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Namens verdachte diende zijn raadsman een schriftuur in met klachten over de betekening van de aanzegging in cassatie. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aanzegging rechtsgeldig was betekend, ondanks dat de eerste poging tot uitreiking aan verdachte op zijn BRP-adres tevergeefs was. Een tweede aanzegging was uitgereikt aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, en een afschrift was verzonden naar het BRP-adres van verdachte. Daarmee ontbrak feitelijke grondslag voor de stelling dat de aanzegging niet rechtsgeldig was betekend.

Omdat namens verdachte geen middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn waren ingediend, kon de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige indiening van cassatiemiddelen en bevestigt de geldigheid van de aanzegging conform art. 36e.2.b Sv, ook indien de aanzegging niet persoonlijk aan verdachte wordt uitgereikt maar aan een gemachtigde of medewerker van het parket.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening ondanks rechtsgeldige aanzegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04249
Datum12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2022, nummer 23-000388-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, een ‘schriftuur, houdende klachten over de betekening van de aanzegging in cassatie’ ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2024.