ECLI:NL:HR:2024:1672

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
15 november 2024
Zaaknummer
22/03261
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 243 Sr (oud)
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in jeugdzaak seksueel binnendringen

De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor seksueel binnendringen bij een vrouw die door overmatig drankgebruik verminderd bewust was. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.

In cassatie stelde de advocaat-generaal aanvankelijk niet-ontvankelijkheid vast wegens vermeende te late indiening van de schriftuur, maar dit bleek een administratief verzuim. De Hoge Raad heeft de klachten tegen het hofarrest beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging leiden, zodat het hofarrest in stand blijft behalve wat betreft de strafmaat.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro heeft de Hoge Raad de opgelegde taakstraf verminderd tot 180 uur en de vervangende jeugddetentie tot 90 dagen. De rest van het beroep is verworpen. De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf tot 180 uur en de vervangende jeugddetentie tot 90 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn, en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03261 J
Datum19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 september 2022, nummer 23-000165-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.G. Kersting, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft bij conclusie van 2 juli 2024 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft bij aanvullende conclusie van 22 oktober 2024 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 uren jeugddetentie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende jeugddetentie;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende jeugddetentie in die zin dat de taakstraf 180 uren beloopt, subsidiair 90 dagen jeugddetentie;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 november 2024.