Conclusie
1.Het cassatieberoep
met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” en “
diefstal” veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro en tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft het hof een beslissing genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2.De bewijsconstructie van het hof
1. Een proces-verbaal van aangifte […] van 8 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] […].
[aangever]:
[aangever](A):
[betrokkene 4](G):
[betrokkene 2](A):
voornoemde verbalisant:
voornoemde verbalisant:
voornoemde verbalisant:
de verdachte(A):
Bewijsoverwegingen
Je zag dat ze niet helemaal bij haar hoofd is. Ze was aan het wankelen. Ze kon niet helemaal op haar benen staan." Eenmaal bij haar woning aangekomen lukte het de aangeefster niet om haar deur te openen. “
De deur was dicht. Ze kreeg hem zelf niet open omdat ze te dronken was. Ze vroeg aan mij of ik de deur kon openen”, zo heeft de verdachte zelf verklaard.
hijdegene was die toenadering zocht, terwijl hij op dat moment al had gezien dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Hij verklaarde daar immers: “
Ik zag haar en ik sprak haar aan. Ik opende het gesprek. Ik liep naar haar toe en zei wal zie je er mooi uit." Ten overvloede merkt het hof op dat de enkele omstandigheid dat de aangeefster (mogelijk) ook zelf avances zou hebben gemaakt in de richting van de verdachte niet zonder meer af doet aan de strafwaardigheid van het feit, omdat het in dat geval op de weg van de verdachte had gelegen om – gelet op haar toestand – daar niet op in te gaan.
3.De voorgestelde middelen
dat een compliment aan een vrouw opgevat dient te worden als een initiatief tot sexueel contact”, waarmee het hof “
opvattingen over een sexuele moraal[hanteert]
die niet bij deze tijd passen, bij geen enkele tijd overigens,” aldus de steller van het middel. In de tweede plaats wordt betoogd dat het hof ten onrechte de verdachte zou hebben tegengeworpen dat deze voor het eerst in hoger beroep de stelling heeft ingenomen dat het initiatief tot het aangaan van seksueel contact werd genomen door de aangeefster. Enige onderbouwing of nadere argumentatie hiervoor heb ik in het middel en de daarop gegeven toelichting niet kunnen ontwaren. Om die reden laat ik hierna dit tweede deel van het eerste middel rusten.
niet zonder meer af doet aan de strafwaardigheid van het feit”. In de toelichting op het tweede middel wordt hieraan toegevoegd dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat het door de aangeefster nemen van initiatieven tot (het continueren van) seksuele handelingen in de weg staat aan bewezenverklaring van hetgeen aan de verdachte (primair) is ten laste gelegd.
de verdachte heeft waargenomen in wat voor toestand de aangeefster verkeerde” en iii. dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans dat de aangeefster in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde heeft aanvaard. M.i. dient ’s Hofs motivering ten aanzien van het passeren van de stelling van de verdediging dat de aangeefster het initiatief tot het seksuele contact heeft genomen, in het licht van deze vaststellingen te worden bezien: het was de verdachte die de eerste toenadering – die is voorafgegaan aan c.q. die heeft geleid tot het seksuele contact – heeft gezocht, terwijl hij (in cassatie onbestreden) wetenschap had van de staat waarin het slachtoffer verkeerde. Het betoog van de steller van het middel, dat het hof met zijn overwegingen te kennen geeft “
dat een compliment aan een vrouw opgevat dient te worden als een initiatief tot sexueel contact”, waarmee het hof “
opvattingen over een sexuele moraal[hanteert]
die niet bij deze tijd passen, bij geen enkele tijd overigens,” getuigt van een onjuiste lezing van het arrest. Wat betreft het punt dat de aangeefster “
(mogelijk) ook zelf avances zou hebben gemaakt” heeft het hof immers overwogen “
dat de enkele omstandigheid dat de aangeefster (mogelijk) ook zelf avances zou hebben gemaakt in de richting van de verdachte niet zonder meer af doet aan de strafwaardigheid van het feit, omdat het in dat geval op de weg van de verdachte had gelegen om – gelet op haar toestand – daar niet op in te gaan”. Het hof heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat, ongeacht wie concreet het initiatief heeft genomen tot het aangaan of continueren van seksuele handelingen, op de verdachte die wetenschap heeft van de staat waarin de aangeefster verkeerde, een verantwoordelijkheid rust om, in lijn met de ratio van de strafbaarstelling van artikel 243 Sr Pro, niet haar seksuele integriteit te schenden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is tevens toereikend gemotiveerd. Het hof was niet gehouden nader te responderen op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht over door de aangeefster genomen initiatieven.