Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 26 november 2024 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022. De zaak betreft medeplegen van poging tot diefstal met braak, strafbaar gesteld in artikel 311 lid 1 Sr Pro.
De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van onrechtmatige staandehouding en onrechtmatige doorzoeking van de auto waarin verdachte zich bevond, en betwistte de bewijslast omtrent aanwezigheid op de plaats delict en medeplegen. Het hof had echter geoordeeld dat de staandehouding rechtmatig was en dat de onrechtmatige doorzoeking niet tot bewijsuitsluiting leidde. Tevens werd een gevangenisstraf van twee maanden opgelegd, waarbij het hof oordeelde dat het taakstrafverbod van artikel 22b lid 2 Sr van toepassing was.
De Hoge Raad achtte de klachten over deze punten onvoldoende voor vernietiging en zag geen noodzaak tot nadere motivering vanwege het ontbreken van belang voor rechtsontwikkeling. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Gezien de geringe strafmaat zag de Hoge Raad echter af van verdere rechtsgevolgen.
Het arrest werd gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt gevangenisstraf van twee maanden voor medeplegen poging tot diefstal met braak.