ECLI:NL:HR:2024:1682

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
22/02393
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 359a SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 22b lid 2 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen poging tot diefstal met braak ondanks overschrijding redelijke termijn

De Hoge Raad heeft op 26 november 2024 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022. De zaak betreft medeplegen van poging tot diefstal met braak, strafbaar gesteld in artikel 311 lid 1 Sr Pro.

De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van onrechtmatige staandehouding en onrechtmatige doorzoeking van de auto waarin verdachte zich bevond, en betwistte de bewijslast omtrent aanwezigheid op de plaats delict en medeplegen. Het hof had echter geoordeeld dat de staandehouding rechtmatig was en dat de onrechtmatige doorzoeking niet tot bewijsuitsluiting leidde. Tevens werd een gevangenisstraf van twee maanden opgelegd, waarbij het hof oordeelde dat het taakstrafverbod van artikel 22b lid 2 Sr van toepassing was.

De Hoge Raad achtte de klachten over deze punten onvoldoende voor vernietiging en zag geen noodzaak tot nadere motivering vanwege het ontbreken van belang voor rechtsontwikkeling. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Gezien de geringe strafmaat zag de Hoge Raad echter af van verdere rechtsgevolgen.

Het arrest werd gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt gevangenisstraf van twee maanden voor medeplegen poging tot diefstal met braak.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02393
Datum26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022, nummer 21-003919-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2024.