Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen diefstal. In hoger beroep werd hij niet-ontvankelijk verklaard wegens verstek. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat het geen belang had voor de rechtsontwikkeling. De klacht dat bij de betekening van de verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid was betracht, werd eveneens verworpen.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen, maar de Hoge Raad besloot de straf te verminderen wegens de overschrijding van de redelijke termijn, conform het advies van de advocaat-generaal.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.