Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
6 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van witwassen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. In cassatie werd onder meer betoogd dat de oproeping tot verschijnen niet correct was betekend en dat het verzoek tot het horen van twee getuigen ten onrechte was afgewezen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de oproeping en het getuigenverzoek niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het cassatieberoep volgde.
Gelet op deze termijnoverschrijding werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd met tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het arrest van het hof werd uitsluitend wat betreft de strafduur vernietigd en het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd met tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.