Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een beschikking van het gerechtshof Den Haag op een klaagschrift ingediend door klaagster tegen de beslissing van de Officier van Justitie om een voormalig OvJ niet te vervolgen wegens meineed (art. 207 Sr Pro). Klaagster verzocht het hof om de vervolging te bevelen.
De Hoge Raad heeft in cassatie beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Volgens artikel 445 Wetboek Pro van Strafvordering is cassatieberoep tegen beschikkingen slechts mogelijk in de daarin genoemde gevallen. Omdat het Wetboek van Strafvordering en andere wetten geen bepaling bevatten die cassatie tegen deze beschikking toestaat, is het beroep niet ontvankelijk.
De advocaat-generaal concludeerde eveneens tot niet-ontvankelijkheid. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft de beschikking van het hof in stand en wordt het verzoek tot vervolging niet toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de beschikking van het hof wordt niet-ontvankelijk verklaard.