ECLI:NL:HR:2024:1701

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
22/02055
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van de betalingsverplichting bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene stelde dat het hof ten onrechte niet alle kosten in mindering had gebracht bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor de hoogte van de betalingsverplichting en stelde voor deze te verminderen met de kosten vermeld in het ontnemingsrapport gedeeld door drie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had gehandeld door niet alle kosten mee te nemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat aanleiding gaf tot een verdere vermindering van de betalingsverplichting. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor het deel van de schatting en betalingsverplichting, stelde de nieuwe bedragen vast en verwierp het beroep voor het overige.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en betreft een belangrijke precisering van de wijze van kostenberekening bij ontneming en de toepassing van de redelijke termijn.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting wegens onjuiste kostenberekening en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02055 P
Datum26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 mei 2022, nummer 21-001404-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan (op de in randnummers 38 en 39 van de conclusie voorgestelde wijze) en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof kosten die zijn vermeld in het ontnemingsrapport niet in mindering heeft gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.
2.2
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag te verminderen met de in het ontnemingsrapport genoemde kosten gedeeld door drie, dus met een bedrag van € 894,63.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot verdere vermindering van de betalingsverplichting.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
- vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zin dat de hoogte daarvan € 6.006,14 bedraagt;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 5.705 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2024.